Lezingen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Lezingen van de dag

26 april

Maandag in de Grote en Goede week

LEZING IN HET ZESDE UUR

Ezechiël 1,1-20

Lezing uit de profetie van Ezechiël,

Het gebeurde in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van de maand, toen ik temidden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, dat de hemel geopend werd en ik zag een visioen van Godswege, op de vijfde van die maand‚ het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojakin. En het woord des Heren kwam tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar. En de hand des Heren kwam op mij. En ik zag en zie, een stormwind kwam uit het noorden, en daarin een grote wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal. En in het midden daarvan was wat leek op vier wezens; en dit was hun voorkomen: zij hadden de gedaante van een mens, ieder had vier gezichten en ieder van hen vier vleugels. Wat hun benen aangaat, deze waren recht; en hun voeten waren gevleugeld en fonkelden als gepolijst koper, en hun vleugels waren licht. Onder hun vleugels waren mensenhanden aan hun vier zijden. En wat de gezichten betreft en de vleugels van die vier: de vleugels van alle vier raakten elkaar; en wat hun gezichten betreft: zij draaiden zich niet om als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit. Hun gezicht leek van voren op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op het gezicht van een leeuw, bij alle vier van links op het gezicht van een rund, en bij alle vier van achteren op het gezicht van een arend. Hun vleugels waren bij alle vier naar boven uitgespreid; ieder had er twee die met elkaar verbonden waren en twee bedekten hun lichaam. En zij gingen ieder recht voor zich uit; waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen. En tussen de wezens in, was er iets te zien dat leek op brandende vuurkolen, als van fakkels‚ die zich bewogen tussen de wezens; en het vuur glansde en bliksemschichten schoten daaruit. De wezens snelden heen en terug als weerlicht. En ik keek en zie, er was een wiel op de grond bij alle vier de wezens. De aanblik van de wielen was als de aanblik van beríl; zij hadden alle vier een zelfde vorm en maaksel; ze waren gemaakt alsof er een wiel was midden in een wiel. Als zij gingen, konden zij naar alle vier zijden gaan; zij keerden zich niet om als zij gingen, noch hun ruggen keerden zich om, zij waren lang; en ik zag dit en de ruggen waren bij alle vier rondom vol ogen. Als de wezens gingen, gingen de wielen naast hen; en als de wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de wielen. Waar de wolk was, daar was ook de geest die ging; wanneer de wezens gingen, verhieven zich ook de wielen met hen: want de geest des levens was in de wielen.

LEZINGEN IN DE VESPERS

Exodus 1,1-20

Lezing uit Exodus,

Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die met hun vader Jakob naar Egypte gekomen zijn; zij kwamen er ieder met zijn gezin: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan en Naftali, Gad en Aser. Jozef was reeds in Egypte. Allen die van Jakob afstamden, waren vijfenzeventig zielen. En Jozef stierf en al zijn broers en heel die generatie. De zonen van Israël nu vermeerderden zich en werden talrijk, en uitermate machtig, zodat het land met hen vervuld werd. Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had. Deze nu zei tot zijn volk: Zie, het volk der zonen van Israël is groter en sterker dan wij. Welnu, laten wij met beleid tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenigvuldigen en zich – als wij in oorlog komen – bij onze tegenstanders aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken. Daarom stelde men opzichters over hen aan, om hen te onderdrukken door de hun opgelegde dwangarbeid: zij moesten voor Farao versterkte steden bouwen: Pitom, Raämses en On, dat is Helioupolis. Maar hoe meer men hen onderdrukte, des te meer vermeerderden zij zich en werden uitermate machtig, zodat de Egyptenaren verafschuwd werden door de zonen van Israël. Toen lieten de Egyptenaren de zonen van Israël onder mishandeling werken; ja, zij maakten hun het leven bitter door harde slavenarbeid met leem en tichelstenen, en door allerlei arbeid op het veld, en allerlei werk, waartoe zij hen onder mishandeling als slaven gebruikten. Ook beval de koning van Egypte de vroedvrouwen van de Hebreeën, van wie de één Sifra heette en de ander Pua: Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, dan moet gij goed toezien bij de verlossing; indien het een zoon is, dan moet gij hem doden, maar indien het een dochter is, moogt gij het verzorgen. De vroedvrouwen echter vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte hun opgedragen had, maar lieten de jongens in leven. Toen ontbood de koning van Egypte de vroedvrouwen en zei tegen hen: Waarom hebt gij dit gedaan en de jongens laten leven? En de vroedvrouwen zeiden tegen de farao: De Hebreeuwse vrouwen zijn niet als de Egyptische; zij zijn sterk: zij hebben al gebaard voordat een vroedvrouw bij hen komt. En God deed goed aan de vroedvrouwen en het volk vermeerderde zich en werd zeer machtig.

Job 1,1-12

Lezing uit de Job,

Er was in het land Us een man met de naam Job, en die man was onberispelijk, rechtvaardig, oprecht, godvrezend en hield zich ver van alle kwaad. Hij kreeg zeven zonen en drie dochters. Zijn bezit bestond uit zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd weidende ezelinnen, hij had een zeer groot aantal mensen in dienst en hij deed in zijn land grote werken, zodat deze man de aanzienlijkste was van alle bewoners van het Oosten.
Zijn zonen hadden de gewoonte om de beurt een dag bij elkaar te komen en een feestelijke maaltijd te houden en zij namen dan hun drie zusters mee om met hen te eten en te drinken. Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, riep Job hen bij zich en reinigde hen; hij stond dan ‘s morgens vroeg op en bracht offers voor ieder van hen, en een rund voor hun zonden, voor hun zielen. Want Job zei: misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart iets slechts gedacht over God. Zo deed Job alle dagen van zijn leven. En het gebeurde op zekere dag dat de engelen Gods kwamen om zich voor de Heer te stellen, en met hen kwam ook de duivel. En de Heer zei tegen de duivel: Waar kom je vandaan? En de duivel antwoordde de Heer: Van een tocht over de aarde, en nadat ik de hele aarde onder de hemel doorkruist heb, ben ik hier gekomen. Toen zei de Heer tegen hem: Heb je ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, onberispelijk, rechtvaardig, oprecht, godvrezend en zich ver houdend van alle kwaad. En de duivel antwoordde en sprak tot de Heer: Is het zonder reden, dat Job God vreest? Hebt Gij hem soms niet van alle kanten beschut, en wat in zijn huis is en al wat hij bezit rondom? Het werk van zijn handen hebt Gij gezegend, en zijn vee hebt gij doen toenemen in het land. Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit, zal hij U dan nog zegenen?! Toen zei de Heer tegen de duivel: Zie, al wat hij bezit, geef Ik in je hand; maar hemzelf zul je niet aanraken. Toen ging de duivel weg van het aangezicht van de Heer.

Evangelie-Lezing in de Liturgie van de Voorafgewijde Gaven

Mt-pericoop 98 (Mt 24 : 3-35)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Mattheüs,

In die tijd toen Jezus op de Olijfberg gezeten was, kwamen de leerlingen bij Hem terwijl Hij alleen was en zeiden: ‘Zeg ons, wanneer zal dit gebeuren en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?’ Jezus antwoordde en zei: ‘Zie toe dat niemand jullie misleidt. Want velen zullen komen die Mijn Naam gebruiken en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden. Jullie zullen horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Laat dat je niet verontrusten; want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde. Want het ene volk zal tegen het andere opstaan, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen hongersnood, pest en aardbevingen zijn op verschillende plaatsen. Maar al deze dingen zijn slechts het begin van de weeën. Dan zal men jullie aan onderdrukking overleveren, en jullie doden en jullie zullen gehaat zijn bij alle volken om Mijn Naam. En velen zullen ten val gebracht worden en ze zullen elkaar verraden en haten. En vele valse profeten zullen opstaan, die velen zullen misleiden. En omdat de wetteloosheid toeneemt, zal de liefde van velen verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal gered worden.’

En dit evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld verkondigd worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. Wanneer jullie dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in de heilige plaats – laat hij die het leest, proberen het te begrijpen-, laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen, en wie op het veld is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! En bid dat je vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet op een sabbat. Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er vanaf het begin van het wereld tot nu toe niet geweest is, en er ook nooit meer zijn zal. En als die dagen niet verkort werden, zou er geen mens behouden worden; maar omwille van de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. Als iemand dan tegen je zegt: Zie, hier is de Christus of daar, geloof het dan niet; want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, om zelfs de uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. Zie, Ik heb het jullie voorzegd. Als zij dus tegen je zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er dan niet heen; zie, Hij is daar in de binnenkamers, geloof het dan niet, want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn. Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.’

En meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven, en de sterren zullen uit de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Mensenzoon aan de hemel verschijnen; en dan zullen alle stammen op aarde weeklagen en zij zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel met grote macht en heerlijkheid. Dan Hij zal Zijn engelen uitzenden onder luid bazuingeschal; en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiteinde van de hemelen tot het andere. Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: Wanneer zijn takken zacht worden en de bladeren uitspruiten, dan weet je, dat de zomer nabij is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je al deze dingen ziet, dat het nabij is, dat het voor de deur staat.

Amen, Ik verzeker jullie: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, voordat al deze dingen gebeuren. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

Gegevens

Datum:
26 april
Evenement Categorie: