Lezingen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

Lezingen van de dag

19 april

Maandag in de zesde week van de Grote Vasten –

Op weekdagen in de Grote Vasten is er geen Goddelijke Liturgie, en zijn er daarmee ook geen lezingen uit de Apostel en het Evangelie vastgesteld. Wel zijn er Oud-testamentische lezingen in het zesde uur en in de Vespers:

LEZING IN HET ZESDE UUR

Jesaja 48,17-49,4

Lezing uit de profetie van Jesaja,

Zo spreekt de Heer, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben de Heer, uw God, Die u heb laten zien hoe de weg te vinden die gij moet gaan. Had gij toch maar acht geslagen op Mijn geboden! Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven van de zee. Dan zou uw nageslacht geweest zijn als het zand en uw nakomelingen als het stof der aarde. Maar ook nu zult gij niet uitgeroeid worden, noch zal hun naam worden verdelgd van voor Mijn aangezicht. Ga weg uit Babylon, vlucht weg van de Chaldeeën, verkondig met luide vreugdezang, laat dit horen, draag het uit tot aan het einde der aarde, zeg: De Heer heeft Zijn knecht Jakob verlost. Als zij dorst zullen hebben, zal Hij hen leiden door de woestijn. Water uit een rots zal Hij voor hen laten stromen. Hij zal de rots kloven, en het water zal eruit stromen, en Mijn volk zal drinken. Voor de goddelozen is er echter geen vreugde, zegt de Heer. Luister naar Mij, kustlanden, sla er acht op, heiden-volkeren! Over lange tijd zal het gebeuren, zegt de Heer. De Heer heeft mijn naam geroepen van de moederschoot af. Hij heeft mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, in de schaduw van Zijn hand heeft Hij mij verborgen. Hij heeft mij gemaakt tot een uitgelezen pijl, Hij heeft mij in Zijn pijlkoker geborgen. Hij heeft tegen mij gezegd: Gij zijt Mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken. En ik zei: Voor niets heb ik mij vermoeid, nutteloos en tevergeefs heb ik mijn kracht verbruikt. Daarom is mijn recht bij de Heer, en mijn moeite is bij mijn God

LEZINGEN IN DE VESPERS

Genesis 27,1-41

Lezing uit Genesis,

Het gebeurde, toen Izaäk oud geworden was en zijn ogen dof geworden waren zodat hij niet meer kon zien, dat hij zijn oudste zoon Ezau riep, en tegen hem zei: Mijn zoon! Hij zei: Zie, hier ben ik! Hij zei: Zie toch, ik ben oud geworden en ik weet de dag van mijn dood niet. Nu dan, pak je jachtgerei, je pijlkoker en je boog, trek het veld in en jaag voor mij een stuk wild. Maak dan een smakelijk gerecht voor me klaar, zoals ik het graag heb, en breng het me om te eten. Dan zal mijn ziel je zegenen voordat ik sterf. Nu hoorde Rebekka het, toen Izaäk tot zijn zoon Ezau sprak. Ezau ging het veld in om een stuk wild te jagen voor zijn vader. Toen zei Rebekka tegen Jakob, haar jongste zoon: Zie, ik heb je vader tegen Ezau, je broer, horen zeggen: Breng me een stuk wild en maak een smakelijk gerecht voor me klaar om te eten en dan zal ik je voor het aangezicht van de Heer zegenen, vóór mijn dood. Nu dan, mijn zoon, luister naar mij, naar wat ik je gebied. Ga toch naar de kudde en haal daar voor mij twee jonge, goede geitenbokjes. Dan zal ik daarvan een smakelijk gerecht voor je vader klaarmaken, zoals hij het graag heeft. Dat moet je naar je vader brengen en hij zal het eten. Dan zal hij je zegenen, vóór zijn dood. Toen zei Jakob tegen zijn moeder Rebekka: Zie, mijn broer Ezau is een behaarde man en ik heb een gladde huid. Misschien betast mijn vader mij; dan zal ik in zijn ogen als een bedrieger zijn en zal ik een vloek over mij brengen en geen zegen. Maar zijn moeder zei tegen hem: Laat die vloek mij maar treffen, mijn zoon. Luister maar naar mijn stem en ga ze voor mij halen. Toen ging hij ze halen en hij bracht ze bij zijn moeder. En zijn moeder maakte een smakelijk gerecht klaar, zoals zijn vader het graag had. Daarop nam Rebekka de kostbare kleren van Ezau, haar oudste zoon, die ze bij zich in huis had, en trok ze Jakob, haar jongste zoon, aan. Het vel van de geitenbokjes trok ze over zijn handen en over zijn gladde hals. Zij gaf haar zoon Jakob het smakelijke gerecht in handen, met het brood dat zij klaargemaakt had. Hij kwam bij zijn vader en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik; wie ben je, mijn kind? Jakob zei tegen zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene. Ik heb gedaan wat u mij gezegd hebt. Richt u toch op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, zodat uw ziel mij kan zegenen. Izaäk zei daarop tegen zijn zoon: Hoe is het mogelijk dat je dat zo snel gevonden hebt, mijn kind? Hij zei: Omdat de Heer, uw God, het mij heeft laten tegenkomen. Izaäk zei tegen Jakob: Kom toch wat dichterbij zodat ik je kan betasten, mijn zoon, of je werkelijk mijn zoon Ezau bent of niet. Toen kwam Jakob dichter bij zijn vader Izaäk en die betastte hem. Hij zei: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezaus handen. Hij herkende hem niet, omdat zijn handen, net als de handen van zijn broer Ezau, behaard waren. En hij zegende hem. Hij zei: Ben je mijn zoon Ezau? Hij antwoordde: Dat ben ik. Toen zei Izaäk: Zet het wat dichter bij me. Dan kan ik van jouw wildbraad eten, zodat mijn ziel je kan zegenen. Hij zette het dicht bij hem en hij at. Hij bracht hem ook wijn en hij dronk ervan. Zijn vader Izaäk zei tegen hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon! Hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen rook hij de geur van zijn kleren en zegende hem. Hij zei: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Heer gezegend heeft. Moge God je geven van de dauw van de hemel, van de vruchtbare streken van de aarde: overvloed van koren en wijn. Volken zullen je dienen, vorsten zullen zich voor je buigen. Wees heerser over je broer, de zonen van je vader zullen zich voor je buigen. Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt, en gezegend wie jou zegent! En het gebeurde, toen Izaäk gereed was met het zegenen van Jakob, zijn zoon, en Jakob bij zijn vader Izaäk weggegaan was, toen gebeurde het dat Ezau, zijn broer, van zijn jacht terugkwam. Ook hij maakte een smakelijk gerecht klaar en bracht dat bij zijn vader. Hij zei: Mijn vader, richt u op en eet van het wildbraad van uw zoon, zodat uw ziel mij kan zegenen. Izaäk, zijn vader, zei tegen hem: Wie ben je? Hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau. Toen ontstelde Izaäk van grote en hevige schrik en zei: Wie was het dan die een stuk wild voor mij gejaagd heeft en het mij gebracht heeft? Ik heb overal van gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend, en gezegend zal hij zijn. Toen Ezau de woorden van zijn vader Izaäk hoorde, gaf hij een zeer luide en bittere schreeuw, en zei: Zegen ook mij, vader! Hij antwoordde echter: Je broer is met bedrog gekomen en heeft je je zegen afgenomen. Hij zei daarop: Terecht wordt zijn naam Jakob genoemd, want hij heeft mij nu al voor de tweede keer bedrogen: Mijn eerstgeboorterecht heeft hij mij afgenomen, en nu heeft hij mij mijn zegen afgenomen. Verder zei Ezau tegen zijn vader: Hebt gij dan geen zegen voor mij overgehouden, vader? Izaäk antwoordde en zei tegen Ezau: Ik heb hem heerser over jou gemaakt en al zijn broers heb ik hem als dienaar gegeven. Ik heb hem van koren en wijn voorzien. Wat kan ik dan nog voor je doen, kind? Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt gij maar één zegen, vader, zegen toch ook mij, vader! Izaäk was bedroefd, en Ezau begon luid te huilen. Toen antwoordde zijn vader Izaäk en zei tegen hem: Zie, je zult leven van de vruchtbare streken van de aarde, en van de dauw van de hemel van boven. Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen. Maar het zal gebeuren dat je tot macht komt en zijn juk van je nek zult afrukken. Ezau haatte Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had.

Spreuken 19,16-25

Lezing uit de Spreuken,

Wie het gebod in acht neemt, bewaart zijn eigen ziel, wie zijn eigen wegen veracht, zal te gronde gaan.

Wie zich ontfermt over de arme, leent uit aan God. Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

Onderricht je zoon, want zo zal er hoop voor hem zijn, maar verhef je ziel niet in hoogmoed.

Een slecht-denkend man moet gestraft worden, en als hij ongeluk veroorzaakt, zal dit toegevoegd worden tegen zijn ziel.

Luister, mijn zoon, naar de vermaning van je vader, opdat je uiteindelijk wijs wordt.

In het hart van de mens zijn veel plannen, maar het raadsbesluit van de Heer houdt stand voor eeuwig.

Barmhartigheid is tot vrucht voor een man, een rechtvaardige arme is beter dan een leugenachtige rijke.

De vreze des Heren leidt ten leven, maar wie zonder vreze is, zal overnachten in plaatsen waar geen kennis wordt onderzocht.

Wie onrechtmatig zijn handen in zijn boezem verbergt, zal ze zelfs niet naar zijn mond brengen.

Wanneer een verderfelijk man gestraft wordt, wordt een dwaas arglistiger, maar wanneer je een verstandig man terecht wijst, zal hij meer inzicht krijgen.

Gegevens

Datum:
19 april
Evenement Categorie: