Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

2 maart

De heilige Theodotos, bisschop van Kyrenia (Cyprus) en afkomstig uit Galatië. Onder Likinius werd hij met verschillende van zijn gelovigen gevangen genomen en gefolterd‚ maar niet lang daarna werden zij bevrijd, toen Constantijn aan het bewind was gekomen. Zo is hij in vrede gestorven in 320.

De heilige Barsanoefios en Sabbas van het klooster in Twer, dat zij als jonge monniken in 1397 samen hadden gesticht. Na de dood van Sabbas in 1467, was Barsanoefios gedurende vijf jaar abt. Toen trok hij zich terug in de woestijn, waar hij nog enige tijd leefde onder vasten, lezing en gebed.

De heilige Arsenii, bisschop van Twer, zijn geboortestad. Na de dood van zijn ouders had hij al zijn bezittingen weggeschonken aan de armen en was monnik geworden in het Holenklooster van Kiev. Hij bekleedde daar verschillende bedieningen die hij bijzonder zorgvuldig waarnam in strikte gehoorzaamheid en echte ootmoed. Hij was een groot kenner van de kerkelijke wetten maar vooral van de Heilige Schrift. Verder was hij altijd bezig en nooit zonder werk. Dit trok de aandacht van de metropoliet van Kiev, de heilige Kyprianos, die hem hiërodiaken wijdde. Hij maakte hem tot zijn secretaris en nam hem mee op zijn kerkelijke inspectietochten. Hij stelde hem ook aan tot zijn zaakwaarnemer wanneer hij zelf afwezig was.
Intussen was in Twer grote onenigheid ontstaan tussen de daar zetelende bisschop ende groothertog. Er kwam daar een synode van bisschoppen bijeen om de zaak te beoordelen, maar men slaagde er niet in de vrede te herstellen. De bisschop werd toen afgezet en Arsenii werd gekozen in diens plaats, hoewel hij zich daar sterk tegen verzette, zowel uit ootmoed als omdat deze toestand van twist hem in het geheel niet aanstond. Maar met vereende krachten haalde men hem over en in 1390 werd hij bisschop gewijd door drie metropolieten en vier bisschoppen.
De eerste jaren van zijn bestuur waren geheel gewijd aan het bijleggen van de twisten in het Twer-gouvernement, en het herstel van de onderlinge liefde, eenheid en eensgezindheid. Meer dan diplomatiek overleg droeg hiertoe bij zijn gloedvolle verkondiging van het Evangelie. Met vaderlijke warmte ontving hij allen die hem bezochten en voortdurend vermaande hij allen in de heilige diensten. En nooit liet hij iemand vertrekken zonder een troostend of opwekkend woord.
Hij ondersteunde zijn werk en zijn gebed door een steeds ascetischer leven, om zijn vlees geheel te onderwerpen aan de geest, maar tegelijk kwam er een steeds grotere warmte in zijn omgang met de armen, die hij bijstonden beschermde. Hij leefde zo mee met hun noden dat verschillende wanhopige zieken genazen door zijn gebed.
Ook aanvaardde hij zijn verantwoordelijkheden in het geheel van de kerk: hij nam deel aan bisschopswijdingen en aan concilies in Moskou waar opgetreden werd tegen ketterse leerstellingen. Maar vooral zette hij zich in voor de bouw en het herstel van kerken. Het was de tijd dat de houten kerken vervangen werden door stenen gebouwen. Want hoe schoon de houtbouw ook was, die kerken waren te gevaarlijk door het grote brandrisico, al was het maar door blikseminslag.
Onder zijn leiding kwam ook de bouw van het Heilige Sabbas-klooster van Twer tot stand in 1397-1398, dat een van de voornaamste verbindingsschakels was met de berg Athos. En een grote groep geleerden uit dit klooster werkte in de grote Laura van de heilige Athanasios aan de vertaling van de liturgische teksten.
Het was ook de tijd van de in Rusland opkomende hesychastische beweging gemarkeerd door figuren als de heilige Sergios van Radonesj, en bisschop Arsenii steunde deze geestelijke opbloei waar hij maar kon, zodat Twer een geestelijk centrum werd in het gouvernement.
Dit alles versterkte natuurlijk ook het geestelijk gezag van Arsenii, zodat hem steeds verering ten deel viel. Om zich zijn eigen sterflijkheid en de betrekkelijkheid van al onze aardse verrichtingen voor ogen te stellen, liet hij een grote steenklomp in zijn cel brengen, waarin hij zelf zijn sarcofaag uithieuw, en waarin hij ook begraven werd. Hij stierf in het jaar 1409.

De heilige Euthalia was de enige dochter in een heidens gezin op Sicilië. Eens werd haar moeder, die eveneens Euthalia heette, ziek door zware bloedvloeiing. ln een droom werd haar gezegd dat zij zou genezen wanneer ze gedoopt werd in de naam van de Heer Jezus Christus. Zij liet zich dopen en werd inderdaad op wonderbare wijze genezen. Toen de jonge Euthalia, die zoveel van haar moeder hield, dit zag, liet zij zich eveneens dopen, tot grote woede van haar broer Sermilianus, die generaal was in het keizerlijk leger. Deze ging zo vervaarlijk tekeer, dat hun moeder angstig het huis ontvluchtte, maar Euthalia liet zich niet door haar broer intimideren. Ze zei: ‘lk ben christen, dus ik ben niet bang voor de dood’. Toen werd Sermilianus door zulk een razernij bevangen dat hij zijn zwaard trok en haar het hoofd afsloeg. Dit gebeurde in het jaar 257.

De heilige Agathon, een van de grote oudvaders in de Egyptische woestijn, leerling van abba Lot en tijdgenoot van de grote Makarios. Hij stond vooral bekend om zijn grote zachtmoedigheid en omdat hij de innerlijke gesteldheid van groter belang achtte dan lichamelijke werken van ascese. Hij beval aan om zich elk uur af te vragen hoe wij, wat wij zojuist gedaan hadden, zouden moeten verantwoorden op de oordeelsdag.
ln het vadersboek staat een kort verhaal dat ons een blik gunt op de monniken- samenleving in de woestijn. Een aantal jonge monniken had zich onder de leiding van Agathon gesteld om het monniksleven te leren. Deze was vooral gesteld op één van hen, Alexander, die zich zo gewillig liet leiden en alle plichten met grote nauwkeurigheid vervulde. Nu was deze groep eens naar de rivier gegaan om hun kleren te wassen. ln de hitte was dit geen onaangenaam werk en iedereen was vol ijver bezig, behalve Alexander, die misschien oververmoeid was. En omdat de anderen waarschijnlijk jaloers waren op zijn voorrangspositie, werd al gauw aan Agathon het bericht overgebracht dat die broeder niets uitvoerde. Agathon kwam en gaf hem een standje, waarop Alexander heel bedroefd was. Maar later nam Agathon Alexander apart en zei hem: ‘Wees maar niet bedroefd, ik weet heus wel dat je gedaan hebt wat je kunt, maar het leek me nuttig om je te berispen waar de anderen bij waren, om hun hardheid van geest wat te verzachten door het voorbeeld van jouw gehoorzaamheid.’
Ook over het samenwonen van de broeders heeft hij zeer praktische dingen gezegd, toen hem eens gevraagd werd hoe dat moest gebeuren. We moeten daarbij vasthouden aan de gesteldheid van de eerste dag waarop we bij de anderen kwamen en diezelfde innerlijke afstand en vreemdheid bewaren. Immers, een al te grote vertrouwelijkheid leidt tot gebrek aan eerbied, en uit deze ondeugd stammen alle andere hartstochten. En vooral moeten we nooit gaan slapen voordat we eventuele wrijvingen naar ons vermogen hebben bijgelegd.
Eens had hij met zijn groep hard gewerkt om een nieuwe kluis te bouwen en in te richten en toen deze klaar was, trokken zij erin om zich neer te zetten voor het gebed. Maar na verloop van de eerste week had zich in Agathon de overtuiging gevestigd dat de nieuwe kluis niet geheel beantwoordde aan wat hij zich ervan had voorgesteld, en hij zei daarom tot de anderen: ‘Laten we ergens anders heengaan’. Dat viel hun rauw op het lijf en ze begonnen te mopperen dat hij dat wel eens had mogen bedenken voordat ze er zoveel werk aan hadden besteed. En wat moeten de mensen wel denken over zulk een ongedurigheid? Daarop antwoordde Agathon dat de verstandigen hen juist zouden prijzen omdat ze omwille van God dit alles opgaven, en dat hij in ieder geval zou vertrekken. Daarop konden ze niets anders doen dan hem vergeving vragen en hem verzoeken hen mee te nemen.
Toen er eens gediscussieerd werd over wat wel het moeilijkste was dat een monnik op zich kon nemen, gaf Agathon als zijn mening dat werkelijk bidden de allerzwaarste taak was. Want de andere werken brengen hun eigen genoegdoening mee wanneer we erin slagen ze te volbrengen, maar bidden kost strijd tot de laatste ademtocht.
Eens maakte hij met zijn leerlingen een wandeling en een van hen vond op de weg een erwt liggen. Hij vroeg aan de oudvader of hij die niet moest oprapen. Maar die keek hem vol verbazing aan en vroeg: ‘Heb jij die dan neergelegd? Hoe kun je dan op het idee komen om die op te rapen?’
Ook op een andere manier toonde hij zijn fijngevoeligheid. Hij wilde nooit aalmoezen geven, maar bij kopen en verkopen accepteerde hij zonder enige bedenking de prijs die hem geboden of gevraagd werd, zodat de mensen hun winstje aan hun eigen slimheid zouden toeschrijven en niet aan zijn goedgeefsheid. Zo spaarde hij hun gevoel van eigenwaarde en dat beschouwde hij als zijn liefdegave.
Hij stond altijd klaar om anderen te helpen. Het weinige dat hij had stond hij ogenblikkelijk af wanneer iemand iets nodig had of het zelfs maar bewonderde. Wanneer met de boot de Nijl moest worden overgestoken, was hij de eerste die naar de riemen greep.
Wanneer hij de neiging in zich voelde opkomen om een oordeel te vellen over de fout van een ander, dan zei hij in zichzelf: ‘Agathon‚ zorg maar eerst dat je zelf niet zoiets doet’, en daarmee bracht hij zijn gedachte tot rust. Want hij was ervan overtuigd dat zelfs wanneer iemand in toorn een dode ten leven zou wekken, hij toch nog veroordeeld zou worden door God.
Een kenmerkende uiting van hem is ook dat hij graag zijn gezond lichaam zou willen ruilen met dat van een melaatse, opdat die dan tenminste geholpen zou zijn. Ook droeg hij eens een melaatse op diens verzoek naar de stad. De man vroeg hem iets voor hem te kopen voor alles wat Agathon voor zijn producten ontvangen had. En tenslotte vroeg hij hem terug te dragen naar de plaats waar hij hem gevonden had. Daar zei de melaatse: ‘Gezegend zijt gij, Agathon, door de Heer in de hemel en op de aarde’, en was daarna plotseling verdwenen, zodat Agathon begreep dat het een engel was geweest om hem op de proef te stellen.
Eens vond hij op het dorpsplein een zieke vreemdeling liggen, geheel onverzorgd, om wie niemand zich bekommerde. Agathon huurde toen een kamer, droeg de zieke erheen, bleef bij hem en verzorgde hem vier maanden lang, tot deze weer genezen was. Eerst toen ging hij terug naar zijn cel.
Maar op zijn sterfbed was hij onzeker en toen de broeders hem vroegen of zelfs hij angst had, antwoordde hij: ‘Al heb ik altijd mijn best gedaan om Gods geboden te volbrengen, ik ben toch maar een mens; hoe kan ik weten of mijn daden God behaagd hebben? Gods oordeel is immers heel iets anders dan het oordeel van de mensen.’ Maar zij zagen dat hij vol vreugde stierf, als iemand die zijn vrienden en geliefden gaat verwelkomen.
De heilige Agathon wordt ook op 8 januari gevierd.

De heilige Sabbatios was abt van Twer maar stichtte op enige afstand een klooster dat later naar hem het Sabbatios-klooster genoemd werd, en waar verschillende bekende heiligen hun opleiding hebben genoten. Hij is gestorven in de eerste helft van de 15e eeuw. Zijn leerling Eufrosynos was zijn opvolger en zette zijn werk voort. God schonk hem de gave van wonderen en hij stond in hoog aanzien bij het gehele volk.

De heilige Quintus (Koïntos) de wonderdoener, was een christen uit Frygië. Toen hij eens aalmoezen uitdeelde aan van hun bezittingen beroofde christenen werd hij zelf als christen herkend en gevangen genomen, tijdens de vervolging van Aurelius (270-275). Zijn beenderen werden gebroken, maar door zijn ongebroken geestkracht groeiden deze door Gods hulp weer aaneen, zodat hij nog 10 jaar leefde. Hij trok rond om anderen te helpen en er ging een genezende kracht van hem uit, die hem geschonken was omwille van het lijden dat hij voor God had verduurd. Zijn gedachtenis wordt ook gevierd op 6 juli.

De heilige Simplicius, paus van het oude Rome, was afkomstig uit Tibur, het huidige Tivoli. Nadat hij gediend had in de geestelijkheid van de twee voorafgaande pausen, werd hij in 467 zelf tot dit zware ambt geroepen, in een tijd dat het land zwaar te lijden had van de invallende barbaren. Zelfs Rome werd ingenomen en geplunderd in het achtste jaar van zijn pontificaat.
Dit was mogelijk omdat het land zelf verdeeld was geraakt. Het werd bestuurd door Romeinse gouverneurs die zich een tiranniek gezag hadden aangematigd over de bevolking die geheel rechteloos was. Zij heersten als kleine tirannen met volstrekte willekeur, en elk verzet werd met grote wreedheid onderdrukt. Zo werden de invallende barbaren min of meer als bevrijders geduld, en hele legergroepen kwamen in opstand tegen het rijk. Dit alles bevorderde het arianisme, omdat de orthodoxie vereenzelvigd werd met het tiranniek bewind.
De taak van Simplicius werd hierdoor onnoemlijk zwaar, en nadat hij bijna 16 jaar de kerk, voor zover hij dat kon, bestuurd had, is hij gestorven in 483.

De heilige Chad (Ceadda), bisschop van Lichfield, was de jongste van vier broers die allen beroemde priesters waren. Rond 620 is hij geboren in Northumbrië: hij was dus geen Schotse, noch Ierse, maar een Engelse heilige. Hij was een van de leerlingen van Aidan, die veel tijd besteedde aan het gezamenlijk lezen van de Heilige Schrift, en hen de psalmen uit het hoofd deed leren. Bij de dood van Aidan in 651 vertrok Chad naar Ierland, in die jaren een stralend middelpunt van geestelijk leven. De Germaanse invallen op het vasteland hadden vele eminente geesten verdreven die zich in Ierland verzamelden, dat daardoor een verbinding vormde tussen de Latijnse en de Germaanse beschaving. Chad kwam daar in contact met Egbert, de latere abt van Iona. Intussen had zijn broer Cedd, op aanvraag van koning Ethelwald van Deira, een abdij gesticht aan de rand van het grote moeras, dat zich vijftig kilometer ver uitstrekte vanaf de kust het binnenland in. Toen hij daar jaren later weer eens op bezoek was vanuit zijn bisdom in Londen, werd hij slachtoffer van een besmettelijke ziekte die er heerste, en hij stierf. Op zijn sterfbed droeg hij de zorg voor het klooster over aan Chad die nog in Ierland was.
Deze kwam over en bestuurde het klooster met grote zorgzaamheid, wat de aandacht trok in een nogal ruwe tijd, en het duurde niet heel lang of hij werd tot bisschop gekozen van Northumbrië. Daar wijdde hij zich met hart en ziel aan zijn taak. Hij leefde in reinheid en zelfverloochening, was nederig en altijd bezig met studie. Hij trok door zijn diocees niet te paard, maar zoals de apostelen te voet, om het Evangelie te prediken overal waar hij maar mensen aantrof: in steden of op het land, in hutjes of kastelen. Hij bleef echter niet lang bisschop, want de zetel viel toe aan Wilfried, die op de Romeinse wijze was gewijd. De vanuit Rome gezonden bisschoppen brachten veel onrust in de Engelse kerk, maar wonnen op den duur steeds meer terrein door het morele gezag van de zetel van Petros.
Chad werd daarop naar Mercië geroepen. Hij verplaatste daar de zetel naar Lichfield, dat toen Licetfield heette, het dodenveld. Daar waren namelijk eens meer dan duizend Britse christenen ter dood gebracht en zo wilde Chad deze historische plek in ere houden. Ook dit uitgestrekte diocees, dat zeventien graafschappen omvatte, werd door Chad met bovenmenselijk uithoudingsvermogen bestuurd. Hij bouwde een klooster en voor zichzelf een woning bij de kathedraal, waar hij, wanneer dat maar mogelijk was, de getijden bad met zeven of acht broeders.
Twee en half jaar hield hij dit uitputtende leven vol, toen werd hij ziek. Een van de broeders hoorde lieflijk gezang dat vanuit de hemel neerdaalde tot het woonvertrek waar Chad verbleef, en deze verklaarde, toen men hem erom vroeg, dat zij hadden aangekondigd hem over een week te komen afhalen. Hij gaf nu zijn laatste onderrichtingen aan de broeders en stierf op de voorzegde dag in 672.

De heilige Nun was de moeder van de heilige David, die door haar ook was opgevoed. Na de dood van haar man, prins Xanthus van Cardiganshire, trok zij zich uit de wereld terug en leefde met enkele andere weduwen in de eenzaamheid. Zij is gestorven op deze dag, in de zesde eeuw, en werd begraven in een kapel naast de kerk van de heilige David, Haar verering deed daar spoedig grote volksmenigten samenstromen.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Troadios leed als jonge man onder Deciuste Caesarea in Pontus; in 597 werden 440 martelaren door de Longobarden gedood toen zij weigerden aan een afgodenfeest deel te nemen; Jovinus en Basileus te Rome onder Valerianus; Hilarios, Eustathios, Dioskoros en Jozef, de bisschop Lukios, met Absalom, Lorios, Grolos, Primitivos en Januarios, die geleden hebben in Caesarea van Cappadocië; Hesychios de Senator, onder Maximiaan; Andronikos en Athanasia; vele martelaren te Rome onder Alexander; en Paulus, Heraclius, Secundilla en Januaria te Porto bij Rome.

Eveneens op deze dag de heilige Joavan, priester van het eiland Baz in Ierland, 6e eeuw; en bisschop Athenodoros van Egypte, die zich hield aan de geloofsbelijdenis van Nicea; hij werd daarom door Constans van zijn zetel verdreven en beëindigde zijn dagen in de woestijn.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Datum:
2 maart
Evenement Categorie: