Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

18 februari - 19 februari

De heilige Agapetos kwam uit een christengezin in Kappadocië. Op jeugdige leeftijd werd hij monnik in een ascetengemeenschap in de buurt van de stad Sinade in Frygié. Toen hij de dienstplichtige leeftijd bereikte, moest hij soldaat worden in het leger van keizer Likinios. Hij was daar getuige van de marteldood van Viktorinos, Agrippas, Dorotheos en Theodoulos, en hij had zich bij hen gevoegd. Hij raakte slechts gewond en overleefde het.
Toen Likinios in 323 gestorven was, werd hij door Constantijn de Grote van verdere dienst vrijgesteld, en kon hij terugkeren naar zijn kloostergemeenschap. Daar werd hij priester gewijd door de bisschop van Sinade, die hem opleidde om zijn opvolger te worden. Agapetos had van God de gave van genezingen ontvangen, en vele zieken, en zelfs zieke dieren, mocht hij redden; deze gave bleef hem bij ook toen hij bisschop geworden was. Na een vruchtbaar leven is hij in vrede ontslagen.

De heilige Claurius en zijn broer Maximus waren Romeinse edellieden met een positie aan het hof van Diokletiaan. Zij waren nog heiden maar hadden toch contact gemaakt met het christendom, doordat twee andere broers, Caius en Gabinius, zich reeds vroeger hadden bekeerd en zelfs bisschop en priester van Rome waren. Toen de dochter van de keizer gestorven was, zocht deze een andere vrouw voor zijn schoonzoon en hij belastte Claudius met de opdracht zijn nicht, de dochter van de priester Gabinius, daarvoor te vragen. Maar deze, Susanna, weigerde, omdat zij voor Christus maagd wilde blijven. Claudius zag met grote verbazing hoe een jonge vrouw een wens van de keizer (in feite een onherroepelijk bevel) durfde weerstreven, met zoveel kalme moed, en het vooruitzicht op de troon afwees. Het gaf hem de laatste aansporing die hij nodig had om ook de beslissende stap te zetten: samen met zijn broer liet hij zich dopen, en eveneens zijn vrouw Prepedigna en hun kinderen Alexander en Cutias. Allen begrepen immers dat de woede van de keizer zich over de gehele familie zou ontladen.
Toen Claudius daarna de keizer meedeelde dat Susanna de voorkeur gaf aan een hemelse boven een aardse kroon, liet de verwachte woedeuitbarsting niet op zich wachten. Heel de familie werd gegrepen en in handen gesteld van een keizerlijke gunsteling die een persoonlijke vijand was van de beide broers. Hij liet hen wegbrengen naar Cumae, zodat er geen vrienden tussenbeide konden komen. Ze werden gefolterd, en vooral Prepedigna toonde grote moed tijdens de kwellingen en wist ook de anderen steeds weer te bemoedigen om vol te houden en liever de ergste dood te verduren dan de ware God te verloochenen. Tenslotte werden allen levend verbrand, in 295.

De heilige Kosmas was monnik van het beroemde holenklooster in Kiev. Hij ontving echter van God bevel dit klooster te verlaten en zich te vestigen in de eenzaamheid. Hij vond een plaats bij de rivier de Jachrom, enkele dagreizen van de stad Vladimir verwijderd. Hij leidde een streng ascetisch leven, maar vol liefde ontving hij de pelgrims die hem kwamen bezoeken en hij wist hen te sterken door zijn wijze raad. Zo ontstond daar weer een klooster, gewijd aan de Ontslaping van de Moeder Gods, waarvan hij de abt werd. Hij stierf in hoge ouderdom in het jaar 1492.

De heilige Leo en Paregorios waren vrienden in Patara van Likia, Klein-Azië. Paregorios werd als christen gegrepen, en na een roemrijk voltrokken martelaarschap was hij voor Christus gestorven. Leo kon het alleen zijn niet verdragen, en na gebeden te hebben op het graf van Paregorios, gaf hij zichzelf als christen aan. Hij werd aangehouden, ondervraagd, gegeseld en over de ruwe stenen van een droogstaande rivierbedding gesleurd tot ook hij de krans van het martelaarschap verworven had. Dit gebeurde in de derde eeuw.

De heilige Leo de Grote, paus van het oude Rome. Hij was daar geboren op het einde van de 4e eeuw, trad al vroeg in dienst van de kerk en was diaken onder de pausen Callistus en Sixtus, wier opvolger hij werd in 440. Hij had een geheel eigen welsprekendheid: in korte preken wist hij beeldend en scherpzinnig het eigen van een feest en de gedachten waardoor het beheerst werd, onder woorden te brengen. Zo zond hij gezanten naar het grote concilie van Chalcedon tegen de monofysieten, met een brief waarin hij de leer van de twee naturen van Christus in de éne Persoon zo scherpzinnig en overtuigend uiteenzette, dat deze als de beslissende concilietekst aanvaard werd.
Toen Atilla met zijn Hunnen in 452 Rome bedreigde, trok Leo hem tegemoet bij de Minciorivier en wist hem door de macht van zijn persoon en de kracht van zijn woord, te overreden om Italië te verlaten en zich terug te trekken achter de Donau. Hij kon echter niet verhinderen dat de Vandalen drie jaar Rome bezetten, maar hij heeft wel het moorden weten te voorkomen dat zo vaak met hun komst gepaard ging.
Dit sterke zelfbewustzijn en de noden van de tijd brachten hem er echter ook toe een soort oppergezag over de kerk op te eisen, een eis die door hem het eerst uitgesproken is, en later steeds sterker werd herhaald, en tenslotte geleid heeft tot het rooms-katholieke dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. In 461 is hij gestorven, nadat hij de kerk van Rome 21 jaar had bestuurd.

De heilige Flavianos, hiëromartelaar, patriarch van Constantinopel, was eerst schatbewaarder en priester van de Grote Kerk (Agia Sofia) in Constantinopel in de tijd van Johannes Chrysostomos, door wie hij geestelijk was gevormd, in 449 werd hij tot patriarch gekozen, maar zijn bestuur duurde niet lang, ten gevolge van een warnet van oosterse intriges. Keizer Theodosios was een zwakke figuur, die geheel onder invloed stond van Chrysapios, de opperste hofbeambte. Deze had zelf een andere kandidaat en begon nu systematisch de positie van Flavianos te ondermijnen. Hij liet de keizer aan de patriarch een geschenk vragen voor de wijding. Deze zond hem een ‘eulogion’ toe, een van de prosfora’s die gebruikt waren bij de heilige Liturgie. Chrysapios liet zeggen dat er een ander soort geschenk bedoeld werd. Flavianos, die altijd gestreden had tegen het euvel van de simonie (het verkopen van kerkelijke diensten en ambten voor geld) en daarvan zelfs de schijn wilde vermijden, antwoordde dat alle bezittingen van de kerk uitsluitend gebruikt mochten worden voor de luister van de dienst en om de armen bij te staan.
Vervolgens bewerkte hij de keizerin, Eudoxia, die het niet goed kon vinden met de zuster van de keizer, Pulcheria, om deze tot diakones te laten wijden, zodat ze van het hof verwijderd zou zijn. Ook bij deze aanvraag weigerde Flavianos pertinent om zich te lenen voor hofintriges. in die tijd was Eutyches abt van een klooster van driehonderd monniken, bij Constantinopel. Hij was een bekrompen geest, en in zijn fanatieke ijver tegen de dwaling van Nestorios, die de eenheid van de Persoon in Jezus Christus ontkende, was hij monofysiet geworden. Hij erkende in Christus alleen maar de goddelijke natuur, die zich min of meer met een schijnlichaam had bekleed. Ondertussen had Flavianos een concilie bijeengeroepen in Constantinopel, waar Eutyches werd gevraagd om rekenschap te geven van zijn prediking. Op herhaalde oproepen liet hij niets horen, maar tenslotte verscheen hij in gezelschap van een afdeling soldaten. Hij verklaarde dat hij slechts één natuur erkende in Christus en dat hij niet gekomen was om te disputeren, maar alleen om getuigenis af te leggen van zijn geloof. Daarop werd hij door de vaders van het concilie veroordeeld. Eutyches wendde zich toen tot Rome, maar van paus Leo de Grote kreeg hij een uitvoerige brief waarin deze duidelijk de orthodoxe leer uiteenzette. Deze brief is ook opgenomen in de akten van het concilie van Chalcedon, waar de dwalingen van Eutyches plechtig werden veroordeeld.
Intussen had Chrysapios de keizer bewerkt om een nieuw concilie bijeen te roepen, nu onder voorzitterschap van een andere bisschop, omdat Flavianos partijdigheid verweten werd, maar het resultaat was hetzelfde. Nu wendde Chrysapios zich tot de patriarch van Alexandrië, Dioskoros, een omkoopbaar man met een heftig karakter. Keizer Theodosios werd overgehaald tot hun ideeën die de schijn van wereldse logica bezitten, zodat hij te Efese een synode bijeenriep onder voorzitterschap van Dioskoros, om er een vaste grond aan te geven. Het verloop van deze synode werd beheerst door gewapende terreurgroepen, die een schrikbewind uitoefenden over ieder die orthodoxe meningen durfde te uiten. Daarom heeft deze synode in de geschiedenis de naam gekregen van ‘Roverssynode’. Flavianos werd veroordeeld en terstond als een misdadiger geboeid en zwaar mishandeld. De anderen lieten zich intimideren en ondertekenden het bevel tot zijn afzetting en verbanning. Daar zou het echter niet van komen, want na drie dagen was Flavianos reeds aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden, in 449. Een jaar later stierf keizer Theodosios en hij werd opgevolgd door keizer Markianos. Er waren intussen zoveel protesten binnengekomen tegen de wijze waarop de uitspraak in Efese tot stand was gekomen, dat hij een nieuwe synode bijeenriep in Chalcedon, die nu bekend is als het vierde oecumenische concilie. Daar werd het monofysitisme als ketterij gebrandmerkt, omdat daardoor het heilswerk van Christus van zijn wezenlijke waarde beroofd wordt. Flavianos werd erkend als martelaar voor de orthodoxie en zijn relieken werden plechtig overgebracht naar Constantinopel en bijgezet in de kerk van de heilige apostelen.

De heilige Colman, bisschop van Lindisfarne, was een monnik van het beroemde klooster op Iona. In 661 werd hij de opvolger van de heilige Finan als bisschop van Lindisfarne, De twisten over de paasdatum namen in die tijd steeds heftiger vormen aan. Colman hield vast aan het Keltische gebruik, maar koning Oswy koos op de synode van Whitby voor het Romeinse gebruik, in 664. Colman trok zich toen terug van zijn bisschopsambt en ging eerst naar Iona, later naar Inishboffin aan de kust. Alle Ierse monniken en een dertigtal Engelsen gingen met hem mee, zodat er een nieuw klooster werd gesticht. Er ontstonden echter wrijvingen tussen Ieren en Engelsen, zodat Colman voor de Engelsen een apart klooster stichtte op het vasteland, Mayo van de Saxen. Daarna stierf Colman in 676.

De heilige Constantia, de dochter van Constantijn de Grote, leed aan een kwellende klierziekte, maar zij had genezing gevonden nadat zij gebeden had op het graf van de heilige Agnes in Rome. Daar had zij toen de gelofte gedaan zich verder geheel aan God toe te wijden en niet opnieuw in het huwelijk te treden. Omdat er in die tijd nog geen geregelde kloosters bestonden, leidden zij die een dergelijke gelofte aflegden, een monastiek leven in hun eigen huis. Daar is zij gestorven in de vierde eeuw.

De heilige Engelbert (Angilbert), abt. Hij behoorde tot een van de beroemdste Franse families en werd opgevoed aan het hof van Karel de Grote, waar de geleerde Alcuin zijn leermeester was. Keizer Karel schatte hem bijzonder hoog en zond hem als eerste minister naar zijn zoon Pepijn, koning van Italië, terwijl hij hem zijn dochter Bertha als echtgenote meegaf. Hij zag het huwelijk echter niet als zijn levensroeping, en in overleg met zijn vrouw werd hij monnik in het klooster van de heilige Riquier in Ponthieu.
Toen hij daar later tot abt werd gekozen, herstelde hij de Regel in zijn oorspronkelijke kracht, waarbij hij de anderen overtuigde door niets van hen te eisen wat hij niet eerst zelf had volbracht. De keizer bleef zich bedienen van zijn trouw en schranderheid en riep hem herhaaldelijk naar het hof om zijn raad te vragen in belangrijke en moeilijke kwesties, terwijl hij hem als gezant uitzond wanneer zaken geregeld moesten worden waarin zowel de kerk als de staat betrokken waren. Hij benoemde hem ook tot uitvoerder van zijn testament, maar aan die opdracht kon hij niet voldoen, doordat hij slechts enkele weken na de dood van Karel stierf, in 814.

De heilige Simeon, bisschop van Jeruzalem, was de broeder van Jakobos en van Judas en Joses, die genoemd worden in het evangelie van de heilige Mattheüs (13:55). Hij was negen jaar ouder dan onze Verlosser en behoorde al vroeg tot Diens gevolg.
Hij was bij degenen die de Heilige Geest ontvingen op het Pinksterfeest en behoorde tot de voornaamste leden van de kerk van Jeruzalem, waar Petros aan het hoofd stond. Deze werd echter weldra gevangen genomen en toen door een engel op wonderbare wijze bevrijd, maar hij kon toch niet langer in de stad blijven. Jakobos werd daarna bisschop van Jeruzalem, tot aan zijn marteldood in 62.
Simeon, die zijn broer had bijgestaan in zijn moeilijk ambt, werd nu zijn opvolger. Vier jaar later werd hij in een visioen gewaarschuwd dat de straf zich ging voltrekken over de stad. Met de gemeente der christenen trok hij toen over de Jordaan en zij vestigden zich in het stadje Pella totdat de Romeinse veldheer Vespasianus was weggetrokken, na de heilige stad volkomen te hebben verwoest, terwijl alle bewoners waren omgekomen. Zij keerden toen terug naar Jeruzalem en vestigden zich in de ruïnes, die zij langzamerhand weer opbouwden, dikwijls op zulk een wonderbare wijze dat veel Joden uit de omtrek christen werden en zich bij hen voegden. Zo bleef de stad nog enigszins bestaan tot aan de tijd van keizer Hadrianus, die haar wegvaagde van de aardbodem.
In die tijd ontstonden ook de ketterse leren van de Nazareeërs en de Ebionieten, die een brugpositie wilden innemen tussen christenen en joden. Zij beschouwden Christus wel als de grootste van alle profeten, maar zij ontkenden dat Hij de Zoon was van God, en verwierpen daarmee in feite het gehele christendom. Zij onderhielden zowel de sabbat als de zondag en mengden allerlei joodse en christelijke gebruiken door elkander. Deze leer oefende op de christenen van joodse geboorte een grote aantrekkingskracht uit, en Simeon was in een voortdurende strijd verwikkeld om de waarheid staande te houden. Om een einde te maken aan de voortdurende Joodse opstanden, hadden de Romeinse keizers besloten om alle troonpretendenten uit te schakelen door heel de nakomelingschap van David uit te roeien. Onder Vespasianus en Domitianus was Simeon nog aan dit lot ontkomen, maar onder Trajanus werd hij gegrepen op de dubbele aanklacht christen te zijn en afstammeling van David. Hij werd dagenlang heftig gefolterd en tenslotte aan het kruis geslagen en mocht zo zijn beminde Meester navolgen tot in Diens einde, in de ouderdom van 120 jaar, nadat hij 44 jaar bisschop was geweest. Volgens de kroniek van Eusebios gebeurde dit in 107, latere geschiedkundigen plaatsen zijn dood in 106.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Piulios, die met het zwaard is omgebracht; en Lucius, Silvanus, Rutulus, Classicus, Secundinus, Fructulus en Maximus in Noord-Afrika.

Eveneens op deze dag de heilige Helladius, bisschop van Toledo.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Begin:
18 februari
Einde:
19 februari
Evenement Categorie: