Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

17 juni

De heilige martelaren, de broers Manuël, Sabel en Ismaël, die door de koning van Perzië naar Juliaan waren gezonden om een verdrag te bespreken. Zij werden volgens hun rang ontvangen, en Juliaan nodigde hen uit om met hem mee te trekken tijdens zijn inhuldigingstocht door Bithynië.
ln Chalcedon was de intocht van de keizer de aanleiding tot een groot heidens offerfeest. De kamerheer van de keizer kwam hen uitnodigen daaraan deel te nemen, maar zij weigerden verontwaardigd. Dit ergerde Juliaan zozeer dat hij beval hen te doden en hun lichamen te verbranden. De perzische koning was natuurlijk hevig verontwaardigd over die behandeling van zijn afgezanten en dit werd een van de oorzaken van de oorlog met Perzië, waarin Juliaan het leven verloor, in 362.

De heilige Alena, maagd en martelares. Haar nog heidense vader, de Heer van Dilbeck, was eens aanwezig geweest bij een christelijke dienst en vertelde daar zo enthousiast over dat Alena bij Christus wilde behoren. ln het geheim ging zij naar het bos waar zich een priester had gevestigd, in de buurt van Brussel. Zij werd gedoopt en ‘s nachts ging zij naar het kerkje voor de Metten en de heilige Liturgie.
Toen haar vader dit bemerkte, zond hij zijn manschappen om het haar te beletten, maar dezen gingen ongewild zo ruw te werk dat Alena stierf. De mannen vluchtten vol angst; de priester, die op het geluid was afgekomen, vond haar ontzielde lichaam. Zij werd begraven bij het kerkje, tegen 640.

De heilige Ananias, monnik, ikonenschilder van het Antoniosklooster in Novgorod. Na zijn intrede heeft hij nooit meer de drempel van het klooster overschreden, gedurende 33 jaar, tot hij stierf in 1581.

De heilige Moling (Mullen, Dayrchell), bisschop van Ferns. Hij was van koninklijken bloede en stichtte de abdij van Teghmoling het huidige St-Mullen. Hij voerde jarenlang het bestuur tot hij bisschop werd van Ferns in 691. Zes jaar later is hij gestorven, in 697.

De heilige oudvader Pior (Prior) in de Nitrische woestijn, een van de eerste leerlingen van de heilige Antonios de Grote. Ondanks zijn jeugd werd hij reeds na enkele jaren geschikt geacht voor het kluizenaarsleven. Antonios zei hem: “Goed, Pior, ga je vestigen waar je wilt, en als God een of andere redelijke gelegenheid schept, kom me dan maar bezoeken”.
Pior was 25 jaar toen hij zich vestigde op de grens tussen Nitria en Sketis. Zijn karige maaltijd nuttigde hij lopend, om aan het eten niet ook het plezier van gemakkelijk zitten toe te voegen. “Eten is niet iets om mee bezig te zijn, het is maar iets wat je erbij doet”, zei hij.
Zoals veel monniken in die tijd verdiende hij zijn levensonderhoud met seizoenwerk op het land; vooral ook om geld te hebben om aalmoezen te kunnen geven, want dat stond hoog in ere. Maar met evenveel ijver spande hij zich in wanneer hem door een arme boer geen loon werd uitbetaald. Toen deze eindelijk na enkele jaren het achterstallige loon kon brengen, en vergeving vroeg voor de late komst, wilde Pior het niet aannemen en vroeg hem het aan de priester te geven.
Hij had zich gevestigd in een der ongezondste plaatsen van Egypte. De put die hij gegraven had, gaf slechts smerig sodawater dat niemand anders drinken kon. Wie hem bezocht bracht eigen drinkwater mee, maar Pior dronk het gedurende dertig jaar, tot aan het einde van zijn leven. Maar toen andere broeders een put met slecht water hadden gegraven, maakte hij die door zijn gebed goed drinkbaar.
Hoe hard hij ook was voor zichzelf, over anderen oordeelde hij met de grootste zachtmoedigheid, al hadden ze nog zulke grote fouten begaan. Toen na de zondagse bijeenkomst gesproken werd over de fout van een afwezige broeder, weigerde Pior zich daarin te mengen. Toen men bleef aandringen om zijn mening te horen, vulde hij een zak met zand en Iaadde die op zijn rug. Voor zich uit droeg hij een mandje met wat zand erin. Toen nieuwsgierig gevraagd werd wat dat betekende, antwoordde hij: “Heel de menigte van mijn eigen zonden stop ik weg achter mijn rug om ze maar niet te zien en erover te rouwen. Maar als mijn broeder ook eens zondigt, dan draag ik dat voor me uit en houd er mijn ogen op gevestigd, onder het voorwendsel dat ik mij daarover bedroef. Is het niet veel beter om bedroefd te zijn over mijn eigen fouten die ik weiger te zien?”. Zo toonde hij de weg van het heil. Later heeft abba Mozes ongeveer ditzelfde beeld gebruikt.
Deze vertelde ook over hem dat, toen hij nog pas monnik was, ze eens met tachtig monniken bezig waren een zeven meter brede put te hakken in de rotsgrond. Ze waren al drie dagen bezig, maar de waterader die ze verderop gezien hadden, en waarvan ze het verloop trachtten te volgen, konden ze niet terugvinden. De grond bleef nog steeds volkomen droog. Ze waren zo ontmoedigd dat ze overlegden of ze dit nutteloze werk niet zouden opgeven.
Terwijl ze zo besluiteloos stonden, kwam vanuit de woestijn de heilige oudvader Pior aan, naar zijn gewoonte bekleed met een schapenvacht, terwijl hij voort wandelde ondanks de gloeiende middagzon. Hij groette hen en zei: “O kleingelovigen, waarom zo ontmoedigd na zo een enkele dag?”
Hij klom naar beneden in de put, en nadat hij daar met hen gebeden had, gaf hij drie houwen met het hakijzer terwijl hij bad: “Mijn God, die de God van onze vaders zijt, geef dat het werk van Uw dienaars niet vruchteloos blijft, maar verleen hun het water dat zij zo hard nodig hebben”. Nauwelijks had hij dit gezegd of het water spoot met zulk een kracht naar buiten dat ze allen doornat werden. Hij bad nog eens en ging gelijk weer weg met de woorden: “Dit was het enige waarvoor ik gekomen ben”; en ze konden hem niet overhalen iets te blijven eten.
Abba Pior is gestorven tegen het einde van de 4e eeuw, in de ouderdom van bijna 100 jaar. Na zijn dood hebben verschillende kluizenaars gepoogd in zijn cel te leven, maar geen van hen kon het in die barre omstandigheden langer dan een jaar volhouden.

De heilige abt Botulf (Botolph) en zijn broer de heilige Adulf waren in Engeland geboren in een nog heidense omgeving. Zij leerden Christus kennen en werden gegrepen door liefde voor Hem. Om zich te ontdoen van alle banden die een opgang naar een geheel op God gericht leven bemoeilijkten, gingen zij in vrijwillige ballingschap en staken de zee over naar het vasteland. Adulf werd bisschop van Maastricht en bestuurde zijn diocees in christelijke volmaaktheid. Er zijn geen bijzonderheden bekend behalve dat hij, hoewel vreemdeling, gekozen werd om de uitstraling van zijn geloofsleven, en dat hij na zijn sterven direct als heilig werd vereerd. Botulf keerde terug naar Engeland om zijn stamgenoten te bekeren. Van de vorst Ethelmond kreeg hij een onvruchtbaar gebied om daar een klooster te bouwen, op een plaats die eerst Botulfburg genoemd werd en nu Boston in Lincolnshire. Hij trok veel leerlingen aan door zijn deemoed, zachtheid en vriendelijkheid, terwijl hij het gemeenschappelijk leven inrichtte volgens de voorschriften van de oude monnikvaders. Hij is op hoge leeftijd gestorven in 655; sommigen plaatsen zijn sterfjaar in 680. Zijn populariteit blijkt uit de vele plaatsen waaraan zijn naam verbonden werd.

De heilige martelaren Nikander en zijn broer Marcianus. Zij waren in het leger maar namen hun ontslag wegens de vervolging van Diokletiaan. Dit werd beschouwd als desertie, en daarom werden zij gevangen genomen en voor het gerecht gedaagd. Daria, de vrouw van Nikander, was bij de rechtszitting tegenwoordig en moedigde haar man ten zeerste aan vol te houden. De rechter beschuldigde haar ervan de dood van haar man na te streven om met een ander te kunnen trouwen. Zij antwoordde daarop dat het haar niet ging om de dood van haar man maar juist om zijn eeuwig leven. En als de rechter haar niet geloofde dan moest hij haar maar het eerst ter dood brengen. Ze werd toen gevangen genomen maar kort daarop weer vrijgelaten omdat het edict uitsluitend tegen soldaten was gericht. Intussen werd Nikander verder ondervraagd, maar hij bleef bij zijn besluit: niet te offeren aan de goden. Hetzelfde was het geval met Marcianus. Zij werden onder slechte omstandigheden in de gevangenis opgesloten en na drie weken opnieuw verhoord. Toen bleek dat hun besluit niet aan het wankelen was gebracht, werden zij veroordeeld om onthoofd te worden, waarbij de rechter zich verontschuldigde dat hij de bevelen van de keizer ten uitvoer moest brengen. De martelaren bedankten hem en erkenden dat hij hen uiterst menselijk behandeld had. Zij gingen met vreugde naar het executieveld.
Daarbij werden zij gevolgd door hun vrouw en kinderen, in geheel verschillende stemming. De vrouw van Marcianus trachtte hem op allerlei wijzen over te halen zijn besluit te herzien en bij zijn gezin te blijven; zij klemde zich aan hem vast zodat Marcianus een andere christen, die hen vergezelde, moest verzoeken haar zolang tegen te houden. Pas op het laatst liet hij haar komen, nam teder afscheid van haar en verzocht haar heen te gaan omdat ze zijn terechtstelling niet zou kunnen verdragen. Hij omhelsde ook zijn zoontje en bad: “Heer, almachtige God, neem dit kind onder Uw hoede”.
Daria bleef haar man bemoedigen: “Tien jaar lang, tijdens alle veldtochten, heb ik God steeds weer gesmeekt je terug te mogen zien. Dit heb ik gekregen, en nu moet ik je al weer missen; maar nu ben ik gelukkig de vrouw te mogen zijn van een martelaar. Bid voor mij bij God dat ook ik van de eeuwige dood mag worden bevrijd”. De martelaren werden onthoofd tegen 303.

De heilige abt Harvey (Hervé), 6e eeuw. Hij was blind geboren in Bretagne, en daarom had zijn moeder hem die naam, welke “bitterheid” betekent, gegeven. De baby voelde zich ook verder ongelukkig, want hij huilde dag en nacht, en kon alleen maar getroost worden als zijn moeder voor hem zong. Dat deed zij dan ook in haar medelijden: voortdurend zong zij bij de wieg en bij alles wat zij deed, en het kind groeide op met een alles overheersende liefde voor muziek en poëzie.
Al spoedig stierf zijn vader, en zijn moeder, die zelf ook een wees was, bleef onverzorgd achter, zonder familie om haar te steunen. De zevenjarige Harvey trok door het land om te zingen en te bedelen, “begeleid door zijn witte hond aan een touw, bevend en klappertandend van de kou, blootgesteld aan regen en wind, geen schoenen aan de naakte voeten”, zingt een bretonse ballade. Er bestaat daar nog een aan hem toegeschreven “Zielenzang”, die hij gedicht zou hebben aan zijn vaders graf op Allerzielenavond.
Toen de jongen 14 was, sprak hij met zijn moeder af dat zij naar een klooster zou gaan, terwijl hijzelf zijn oom wilde opzoeken die als kluizenaar leefde en tegelijk les gaf aan de kinderen uit de omgeving. Zij leefden een aantal jaren samen. Toen vertrok zijn oom naar een eenzame kluis om zich op de dood voor te bereiden en liet de school over aan Harvey die op dichterlijke wijze de kinderen onderricht gaf in muziek, poëzie, godsdienst en levenswijsheid in spreuken.
Naarmate de kinderen opgroeiden waren er die bij hem wilden blijven, en zo ontstond een klooster, op enige afstand oostwaarts. En opnieuw trok Harvey zingend rond, nu niet begeleid door een hond maar door zijn nichtje, Kristine, die door zijn moeder was opgevoed en na haar dood alleen was achtergebleven. Zij kreeg een hutje bij de kerk en mocht voor de bloemen van het Altaar zorgen.
Langzamerhand kreeg hij de reputatie een heilige te zijn, erkend door volk en geestelijkheid. Daarvan getuigt een merkwaardige middeleeuwse gebeurtenis: De bevolking van Bretagne werd uitgezogen door een officier van de koning der Franken, die met geweld van alles een zware tol hief, zodat het land tot armoede verviel. De bisschopsraad van Armorica kwam bijeen en er werd gewacht op de komst van Harvey. Een van de prelaten klaagde dat ze hun kostbare tijd moesten verdoen met te wachten op een blinde zwerver. Deze kwam juist binnen, blootsvoets en in lompen, en hij hoorde de beledigende opmerking. Hij keerde zijn blinde ogen naar de spreker en zei zachtmoedig: “Mijn broeder, waarom verwijt ge mij dat ik blind ben? God kan u evenzeer het gezicht ontnemen als Hij dat mij gedaan heeft. Het is Zijn wil dat ik blind ben en dat u kunt zien”. Maar op dat ogenblik omfloerste een wolk de ogen van de hooghartige bisschop en hij werd blind. Eerst nadat Harvey voor hem gebeden had, kon hij weer zien.
Toen werd besloten de wrede officier in de ban te doen. De bisschoppen en abten omringden Harvey met brandende kaarsen in de hand. Deze stond op een rotsblok en riep de banvloek uit. De zeven bisschoppen antwoordden driemaal met Amen, en allen vertrapten de vlam van hun kaars onder hun voeten.
Na dit alles was het einde van de oude man gekomen. De heilige zei tot Kristine: “Mijn lieve nicht, maak mijn bed op, maar niet zoals anders. Maak het op de harde grond, voor het Altaar, aan de voeten van Jezus, mijn Verlosser. Leg een steen neer als hoofdkussen en bestrooi het bed met as, zodat, wanneer de Zwarte Engel komt, hij mij op as gelegen vindt. Want mijn kracht is uitgeput, mijn hart wordt zwak, mijn einde is nabij.”
De kleine Kristine weende: “Ach lieve oom, uw hart is zwak, maar het mijne kan niet verder. Als u van me houdt, vraag dan als gunst aan God dat ik u direct mag volgen, zoals een roeiboot hangt aan een schip.” “God is de Heer, Tina, mijn nichtje, mijn zuster. God zaait het graan en maait wanneer het rijp is”. Het was de zomer van het jaar 575.
De heilige leefde nog drie dagen. Omringd door de bisschoppen en abten en zijn eigen leerlingen, ademde hij zijn ziel uit in de handen van zijn Schepper. Op dat ogenblik sloeg de kleine Tina haar armen om zijn voeten, boog haar hoofd daarop neer en stierf. De roeiboot volgde het schip naar de haven.
De wieg waarin hij als baby gelegen had, die doordrenkt was van zijn kindertranen en de tranen van zijn moeder, en waarover zij zoveel liederen gezongen had, wordt nog als een kerkschat bewaard in de kerk van Lanhuavarn.

De heilige Avitus was de zoon van arme arbeiders in Orléans en werd monnik in de toen nog kleine abdij van Miscy in Auvergne, niet ver van Orléans, evenals korte tijd later de heilige Calais. In het begin werd nogal op hem neergezien vanwege zijn boerse manieren, maar spoedig bleken zijn kwaliteiten en hij werd aangesteld tot kellenaar, d.w.z. tot beheerder van de goederen van het klooster. Hij was zeer bevriend met zijn medebroeder Carilef, en zij trokken samen weg om ergens in stilte te gaan leven en een cel te bouwen in het bos.
Na verloop van tijd stierf de abt van Miscy, en Avitus werd gekozen tot zijn opvolger. Na lang zoeken werd hij gevonden en tegenstribbelend meegenomen. Hij legde echter al spoedig het abbatiaat in andere handen om met Carilef als rekluus te gaan leven in het gebied van Dunois, later in een van de wouden van Maine. Zij werden daar ontdekt door een doofstomme zwijnenhoeder, die in een stormachtige nacht in het woud verdwaald was, toen de toorts waarmee hij zich bijlichtte, was uitgewaaid. Avitus wees de weg en maakte een kruisteken over de stomme lippen van de jongen, en plotseling begon deze te spreken.
Dit werd natuurlijk wijd en zijd bekend, en het volk stroomde van alle kanten naar de kluis; en ook monniken kwamen om zich onder het bestuur van een zichtbare heilige te plaatsen. Carilef voelde zich niet op zijn gemak te midden van zoveel mensen en nam bedroefd afscheid. Hij trok weg, de wildernis in, en toen gebeurde het bekende voorval van het vogeltje dat een ei legde in zijn kap. Hij kwam terug om het aan Avitus te vertellen, en die zei dat het een teken was dat Carilef zich daar moest vestigen.
Intussen raakte Avitus in steeds wijdere kringen bekend, zodat ook koning Clotarius kwam om hem te zien. Deze was zo onder de indruk dat hij voor hem en zijn leerlingen een klooster bouwde bij Chateaudun. Daar is Avitus gestorven tegen 530. Zijn lichaam werd met grote plechtigheid begraven in Orléans, en boven zijn graf werd een aan hem toegewijde kerk opgericht, die nog bestaat.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Antidis, bisschop van Besancon, door de Vandalen vermoord in 411; Filonidos (Philonidos), bisschop van Kurion. Hij bestuurde de Kerk van Cyprus, en stierf de marteldood onder Maximiaan; de soldaat Montanus, onder Hadrianus na vele folteringen gestorven te Terracina; en lsauros, Basilios, Innokentios, Felix, Hermes en Peregrinos uit Athene, gefolterd en onthoofd in Apollonia (Makedonië).

Eveneens op deze dag de heilige kluizenaar Jozef, leerling van de heilige Antonios de Grote, 4e eeuw; Gondulphus, bisschop van Bourges; Veredemus, bisschop van Avignon tegen 720; de monnik Blier, 7e eeuw; Himerius, bisschop van Amelia; en de belijder Hypatios in Frygië.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Datum:
17 juni
Evenement Categorie: