Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

11 april

De heilige Antipas, bisschop van Pergamum‚ die in de Apocalyps genoemd wordt als “de engel van Pergamos”: “Gij hebt het geloof niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, Mijn trouwe getuige, die gedood werd bij u, daar waar de satan woont” (Opb. 2:13). Tijdens de vervolging van Dometianus (81-96), werd hij gegrepen en voor de rechter gebracht, die de eerbiedwaardige oude man ervan trachtte te overtuigen dat de heidense godsdienst veel ouder was dan het splinternieuwe christendom, en dus veel waardevoller moest zijn. Antipas kon natuurlijk op de veel grotere ouderdom van de Schrift wijzen tegenover de verscheidenheid der Griekse beweringen. Dit wekte zulk een woede op dat hij ter dood werd gebracht in een gloeiende koperen stier, in het jaar 92, terwijl hij bad voor zijn vijanden en voor God de lofhymne zong.

De heilige Pharmoetios was een van de kluizenaars in de Egyptische woestijn. Hij zorgde voor de heilige Johannes de “uitgedroogde”, die op bodem van een gebarsten cisterne leefde, in de 5e eeuw.

De heilige Jakobos van Zjeljesny Bor was een leerling van de heilige Sergios van Radonesj. Hij stichtte een klooster in het oerwoud van de Kostroma-provincie, niet ver van de tegenwoordige ijzermijnen. Nadat het klooster door de Tataren in 1429 was verwoest, zorgde hij voor de wederopbouw, waarbij hij zelf aan het zware handwerk deelnam. ln de daarna volgende hongersnood gaf hij onderdak en voedsel aan een aantal getroffen boerengezinnen. Hij is gestorven in 1442. Ook zijn medebroeder Jakobos wordt heden herdacht.

De heilige Euthymios en zijn opvolger Chariton stichtten samen een klooster aan de oever van de Sjanzjem-rivier. Euthymios overleed in 1465 maar Chariton heeft nog 40 jaar de gemeenschap bestuurd.

De heilige Tryfena en Matrona waren meisjes uit Kyzikos‚ hartelijk met elkaar bevriend en van een gemeenschappelijk ideaal vervuld: hun leven tot in elk onderdeel aan Christus te wijden. Ze kozen daarvoor de weg der boetelingen, leefden in een hutje, deden zwaar werk en beperkten hun behoeften tot het allernoodzakelijkste. Er was geen brood in huis, alleen wat geweekte linzen. Vaak bleven zij ook een gehele dag zonder drinken. Er waren ook geen eigenlijke kledingstukken, ze bedekten zich zo weinig mogelijk en liepen blootsvoets. De nacht was er nog eerder om gebeden te zeggen dan om rust te nemen. En in al deze ascetische strengheid verbond hen een steeds inniger genegenheid. Dit heroïsche leven werd door God aanvaard omdat het een uiting was van liefde voor Hem. Zij werden vaak op wonderbare wijze verhoord wanneer anderen hun gebed vroegen, en vaak wisten zij tevoren wanneer iets bijzonders geschieden zou. Zo voorzegden zij ook de dag van hun dood, en dat de Heer hun gegeven had om tegelijk te sterven. Het verhaal zegt niet of zij toen reeds ziek waren, maar dat zij op deze 11e april het kruisteken maakten op hun voorhoofd en toen hun ziel overgaven aan God.

De heilige Filippos, bisschop van Gortyna op Kreta, die zulk een aanzien genoot dat hij zelfs tijdens de vervolging van Marcus Antoninus zijn eparchie in vrede wist te bewaren.

De heilige Guthlac leefde in de 7e eeuw. Hij was de enige zoon in een oud geslacht van het koninkrijk Mercië in Oost-Engeland. Hij groeide op als een ernstige knaap, nadenkend‚ niet geneigd tot de gewone jongensspelen. Wel was hij onder de indruk van de romantische verhalen over de helden uit het verleden. Hij was fors van gestalte, schoon van uiterlijk, en bezat zowel lichaamskracht als een krachtige persoonlijkheid. Toen hij een jongeman werd, voltrok zich een omkeer in hem. Hij was niet langer in zichzelf gekeerd, maar dorstte naar heldendaden. Hij verzamelde een groep jongelui van gelijke aard en vormde een gewapende bende die zich inliet met allerlei buren- en familietwisten, en die een bloedig spoor door de Britse landen trok van doodslag en roof. Dit duurde negen jaar. Toen voltrok zich opnieuw een plotselinge omkeer.
Op een nacht, na een inspannende rooftocht, lag hij uitgeput op bed, zonder te slapen. Hij dacht na over het leven dat hij leidde en opeens werd hij bevangen door schrik: hoe zou God zijn leven bezien? De herinnering kwam op over vroegere koningen die de ongelukkige eeuwigheid van een verloren leven voorzagen en die dan zonder aarzelen aan de wereld verzaakten. Heel zijn eerzucht smolt weg, daarvoor in de plaats kwam liefde voor God die hem zo lang barmhartig was geweest en hij deed de gelofte dat hij, zo hij in leven bleef, Zijn dienaar zou zijn.
Toen de volgende morgen was aangebroken tekende hij zichzelf met het Kruis, zei tegen zijn gezellen dat ze een andere aanvoerder moesten zoeken, want dat hij voortaan in dienst stond van Christus. Hij liet zich niet overhalen door al hun tegenwerpingen maar trok naar de abdij van Repton, waar hij tot monnik geschoren werd onder abdis Elfrida. Zijn nieuwe broeders vonden hem in het begin wat we tegenwoordig een “uitslover” noemen, vooral omdat hij weigerde enige vorm van alcohol te gebruiken, maar zijn oprechte vriendelijkheid won spoedig aller harten. Vol ijver wijdde hij zich aan het gemeenschappelijk gebed en hij kende weldra de psalmen en de hymnen en gebeden van de diensten uit het hoofd. Nadat hij zo 2 jaar in het klooster had geleefd, ging zijn verlangen uit naar een leven van uitsluitend gebed in de eenzaamheid, en hij vroeg en kreeg verlof om zich daarin te beproeven. Er was in die tijd nog maar één werkelijk verlaten streek in midden-Engeland, het uitgestrekte gebied ten noorden van het huidige Cambridge, een land van poelen, drasland, waterlopen, eilanden, rietvelden, heuvels en ondoordringbaar struikgewas, dat we ons nu moeilijk meer kunnen voorstellen. Het water was onderhevig aan de getijden van de Noordzee, die hier diep het land binnendrongen en het aanzien voortdurend veranderden, vooral omdat dit gebied geologisch in een dalende beweging verkeerde. In dit desolate gebied verhieven zich hier en daar iets hoger gelegen gebieden als eilanden met goede grond, waar planten en dieren konden stand houden. Als eerste bewoners vestigden zich daar de kluizenaars die later aangroeiden tot monnikenkolonies, en zij genoten van de onbedorven schoonheid van die natuur.
Guthlac vestigde zich met twee dienaren op zulk een afgelegen plek. Hij was er echter niet alleen, resten van de oude Britten, die door de Saksen uit hun gebied verdreven waren, hadden daar sinds lang een toevlucht gevonden en poogden hem te verjagen door een soort psychologische oorlogvoering. Hij zag dat de duivel door hen zijn plannen wilde doorkruisen en werd daardoor juist nog gesterkt in zijn voornemens, ondanks allerlei mishandelingen die hij moest ondergaan. Hij tuchtigde ook zichzelf en leefde uitsluitend op brood en water.
Dit geweld tegenover zichzelf bracht ook hier weer iets van het paradijs terug. Allerlei soorten vogels kwamen hem bezoeken, speelden met hem, haalden kattenkwaad uit met zijn perkamenten of bezittingen van bezoekers maar brachten de zaken toch weer terug of deponeerden ze in de buurt.
Hij placht te zeggen dat de mens een voorbeeld moet geven van geduld, zelfs tegenover de wilde dieren. Zwaluwen kwamen op zijn schouders zitten of zochten in zijn kieren naar lekkers.
Dit leven hield hij 15 jaar vol nadat hij op de leeftijd van 26 jaar hier was aangekomen. Hij werd ziek in de Goede Week terwijl hij in de kapel was die zij hadden gebouwd. Hij kon zich nauwelijks bewegen, maar in de Paasnacht verzamelde hij al zijn resterende kracht, zong de diensten en vierde de heilige Eucharistie en hield een toespraak die zijn dienaar en mede-monnik meer ontroerde dan al wat hij ooit eerder gehoord had. Toen deze hem enkele dagen later weer bezocht vond hij Guthlac in de hoek van de bidplaats tegen het Altaar geleund. Hij had kennelijk veel pijn en kon eerst in het geheel niet spreken. Toen zei hij dat zijn einde nu spoedig zou komen. De volgende ochtend bewoog hij zich een weinig, hij kon met zijn handen het Altaar bereiken en hij gaf zichzelf het Lichaam en Bloed van Christus. Dan sloeg hij zijn ogen naar de hemel, strekte zijn armen uit en was gestorven. Het was het jaar 714.
Op de plaats waar hij geleefd had werd een kerk gebouwd en er kwam een gemeenschap van monniken. Deze begonnen een stuk moeras droog te leggen. Er werden palen in de grond geheid en daarop verrees de houten abdij Crowland, met rijke landerijen, waar in tijden van hongersnood de noodlijdende bevolking uit de omliggende dorpen gevoed werd. Het werd ook een vrijplaats voor allen die aan harde meesters waren ontvlucht. Want de monniken waren de enige eigenaren van deze landen en geen andere meesters konden zich daarin mengen en hun mensen opeisen. Van hieruit werden steeds meer dijken gebouwd, kanalen gegraven en moerassen drooggelegd, zodat langzamerhand een van de welvarendste streken van Engeland ontstond, de graanschuur van het land.

De heilige Godebertha, een maagdelijke jonge vrouw uit de buurt van Amiens, was door haar vader naar het hof van koning Clotarius gebracht om uitgehuwelijkt te worden aan een van zijn edelen.De heilige Eligius, bisschop van Noyon, was daar juist aanwezig en hij zag iets bijzonders in haar. Op het ogenblik dat zij werd voorgesteld aan de koning, trok hij de bisschopsring van zijn vinger, stak die aan haar hand en zei: “ik verloof u met Christus”.
Godebertha straalde van vreugde, want hoe wonderbaar was haar hartenwens in vervulling gegaan, die zij tegenover haar vader niet had durven uiten, uit angst hem te kwetsen. Hij brak inderdaad in tranen uit bij deze overval. Maar de koning was onder de indruk en schonk haar het koninklijk paleis te Noyon met de kapel van Sint Joris als bruidschat. 12 andere maagden stelden zich onder haar bestuur en zij kozen de heilige Eligius als geestelijke Vader. Godebertha is gestorven in 670.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Domnio, bisschop van Salona (Dalmatië) met 8 soldaten; en Processus en Martinianus, cipiers te Rome.

Eveneens op deze dag de heilige Johannes, leerling van de heilige Gregorios de Dekapoliet; Barsanoefios, bisschop van Twer, 1576; Agericus (Airy), abt in Tours, 7e eeuw; Eustorgios, priester te Nikomedië; Georgios, die een klooster heeft gebouwd ter ere van de heilige Johannes Chrysostomos, op Cyprus, in 1091; en Leo de Grote, Paus van Rome (ook gevierd op 18 februari).

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Datum:
11 april
Evenement Categorie: