Lezingen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Lezingen van de dag

30 mei

Zondag van de Samaritaanse

Prokimen  toon 4 (ps 103) Hoe groot zijn Uw werken, o Heer: Gij hebt alles met wijsheid gemaakt. Zegen, mijn ziel, de Heer; Heer mijn God, Gij zijt onnoemlijk groot.

APOSTEL

Pericoop 28 (Hand 11 : 19-30)

Lezing uit de Handelingen der Apostelen,

In die dagen toen de apostelen, door de verdrukking die in verband met Stefanus plaatsgevonden had, overal verspreid waren, gingen zij het land door tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij tot niemand het Woord spraken dan alleen tot de Joden. Er waren onder hen echter enkele mannen van Cyprus en uit Cyrene die, toen ze in Antiochië gekomen waren, het woord richtten tot de Griekssprekenden en de Heer Jezus verkondigden. En de hand van de Heer was met hen en een groot aantal geloofde en bekeerde zich tot de Heer. En het bericht over hen kwam de kerk die in Jeruzalem was, ter ore; en zij zonden Barnabas uit om het land door te gaan tot Antiochië toe. En toen hij daar gekomen was en de genade van God zag, werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan om naar het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven. Want hij was een goed man en vol van de Heilige Geest en van geloof; en er werd een grote menigte aan de Heer toegevoegd. En Barnabas vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. En het gebeurde dat zij een heel jaar met de kerk samenkwamen en een grote menigte onderwezen en dat de leerlingen voor het eerst in Antiochië christenen genoemd werden. En in die dagen kwamen enkele profeten vanuit Jeruzalem naar Antiochië. En één van hen, van wie de naam Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius. En de leerlingen besloten, ieder naar vermogen, iets te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden, en dat deden zij ook. En zij stuurden het naar de priesters door de hand van Barnabas en Saulus.

Alleluja  toon 4 (ps. 44)Maak U op, ruk met geluk vooruit en heers, omwille van waarheid, zachtmoedigheid en recht. Gij bemint gerechtigheid, maar haat onrecht; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met olie der vreugde boven uw gezellen.

EVANGELIE

In de Metten: Jh Pericoop 63- het Zevende Opstandingsevangelie (Jh 20 : 1-10)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Johannes,

Op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena ’s morgens vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen was weggenomen van het graf. Daarom snelde zij heen en ging naar Simon Petrus en naar de andere leerling, van wie Jezus hield, en zei tegen hen: ‘Zij hebben de Heer uit het graf weggenomen en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.’ Toen ging Petrus van huis en de andere leerling en zij gingen naar het graf. En zij renden allebei, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf; en toen hij zich voorover boog, zag hij de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam, na hem, Simon Petrus aan, en hij ging het graf binnen. Hij zag de linnen doeken liggen, en de lijkdoek die Zijn hoofd bedekt had, zag hij niet bij de andere doeken liggen, maar apart opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij hadden de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de doden moest opstaan. Toen gingen de leerlingen weer naar huis.

In de Liturgie: Jh pericoop 12 (Jh 4 : 5-42)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Johannes,

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaría, genaamd Sichar, dicht bij het stuk grond, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. En daar was de Jakobsbron. En Jezus, vermoeid van de reis, ging zitten bij de bron. Het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaría om water te putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij te drinken.’ Want Zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. Toen zei de Samaritaanse vrouw tegen Hem: ‘Hoe kunt Gij, een Jood, te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?’ (Want de Joden hebben geen omgang met de Samaritanen.) Jezus antwoordde en zei tegen haar: ‘Als gij de gave van God kende, en wist wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, dan had gij het Hem gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben.’ De vrouw zei tegen Hem: ‘Maar Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’ Jezus antwoordde en zei tegen haar: ‘Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie drinkt van het water, dat Ik hem zal geven, heeft geen dorst meer in eeuwigheid. Want het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water, dat opwelt ten eeuwigen leven.’ De vrouw zei tegen Hem: ‘Heer, geef mij dat water, opdat ik geen dorst meer zal hebben en niet meer hier hoef te komen om te putten.’ Jezus zei tegen haar: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier.’ De vrouw antwoordde en zei: ‘Ik heb geen man.’ Jezus zei tegen haar: ‘Gij hebt terecht gezegd: Ik heb geen man, want gij hebt vijf mannen gehad, en die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij naar waarheid gezegd.’ De vrouw zei tegen Hem: ‘Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben God op deze berg aanbeden, en gij zegt, dat Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.’ Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt dat gij noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, want het heil is uit de Joden. Maar het uur komt en is nu gekomen, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders. God is geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.’ De vrouw zei tegen Hem: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer Die komt, zal Hij ons alles verkondigen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, Die met u spreek.’ Op dat moment kwamen Zijn leerlingen terug en zij verwonderden zich dat Hij met een vrouw sprak, maar geen van hen zei: Wat wilt Gij? of: Waarom spreekt Gij met haar? De vrouw nu liet haar waterkruik staan, ging naar de stad terug en zei tegen de mensen: ‘Kom, zie iemand Die mij alles gezegd heeft, wat ik gedaan heb. Zou Híj niet de Christus zijn?’ Toen gingen zij de stad uit en kwamen naar Hem toe. En intussen vroegen de leerlingen Hem, zeggend: ‘Rabbi, eet toch iets.’ Maar Hij zei tegen hen: ‘Ik heb voedsel om te eten dat gij niet kent.’ De leerlingen zeiden dan tegen elkaar: ‘Heeft soms iemand Hem te eten gebracht?’ Jezus zei tegen hen: ‘Mijn voedsel is de wil te doen van Hem Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Sla uw ogen op en zie dat de velden al wit zijn om te oogsten. En de maaier krijgt zijn loon en verzamelt vruchten ten eeuwigen leven, zodat de zaaier en de maaier zich tegelijk verheugen. Want in dit geval is het gezegde waar: De één zaait en de ander maait. Ik heb u uitgezonden om dat te maaien, waarvoor u zich niet hebt ingespannen; anderen hebben zich ingespannen en gij hebt de vruchten geplukt van hun inspanning.’ En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft alles tegen mij gezegd wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen bij Hem gekomen waren, vroegen zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer mensen geloofden in Hem vanwege Zijn woord. En zij zeiden tegen de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij gezegd hebt, want zelf hebben wij Hem gehoord en wij weten, dat dit waarlijk de Redder van de wereld is, de Christus.’

Gegevens

Datum:
30 mei
Evenement Categorie: