Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

1 maart

De heilige Eudokia (Eudoxia) was een Samaritaanse van grote schoonheid, die in Heliopolis van Fenicië een succesvolle carrière had opgebouwd als courtisane en daarmee grote rijkdommen had verworven. Toch moet er iets in haar geweest zijn dat onbevredigd bleef in dit leven van lust en weelde.
Eens was zij vroeg naar bed gegaan maar te middernacht werd zij wakker door een mannenstem die aan het zingen was. Eerst maakte zij zich kwaad, maar zij werd getroffen door sommige woorden zodat zij ging luisteren. En toen hoorde zij hoe in wonderbare poëzie de lof gezongen werd van een haar onbekende God. Zij hoorde ook hoe de zondaars voor Gods aangezicht geoordeeld zullen worden en zij werd bevangen door berouw over haar verleden, door schaamte over haar tegenwoordige levenswandel en door vrees voor wat de toekomst brengen zou.
De stem kwam uit het open venster van het aangrenzende huis en de volgende morgen deed zij onderzoek naar wat daar gebeurd was. Het bleek dat een zekere monnik, Germanos, op doorreis op bezoek was bij een oude bekende, en dat hij volgens zijn gewoonte te middernacht luidop zijn gebeden had verricht. Zij vroeg hem op bezoek en om het gesprek te openen zei hij bij het zien van de kostbare woninginrichting, dat haar man wel bijzonder rijk moest zijn om zich dat te kunnen veroorloven. Rood van schaamte bekende zij toen dat zij geen man maar wel vele minnaars had. En spontaan riep Germanos uit: ‘Arm kind, je zou toch veel gelukkiger zijn wanneer je hier op aarde maar weinig had en daarna een eeuwig leven in vreugde en heerlijkheid, in plaats van ellendig onder te gaan in een eeuwigdurende dood?’ ‘Is uw God dan zo hardvochtig dat hij ons geen rijkdom gunt?’ ‘Neen, maar alleen wat onrechtvaardig verkregen is.’ En hij stelde haar voor de zaak ernstig te overwegen onder vasten en gebed.
Zij liet toen haar huis sluiten alsof ze naar haar villa op het land vertrokken was, vroeg een priester haar te onderrichten‚ trok ruwe kleren aan en bleef zeven dagen zonder eten. ln haar verzwakte toestand zag zij in een visioen hoe een engel haar meenam naar de hemel, waar iedereen vol vreugde op haar toesnelde om haar te begroeten. Maar een afschuwelijke schaduw kwam haar opeisen als eigendom van de hel omdat zij het instrument was geweest van de ondergang van zovelen. Maar uit het onzegbare licht kwam een stem die zei:
‘God wenst de dood van de zondaar niet, maar dat deze zich bekeert en leeft’. En de engel bracht haar terug en zei: ‘Er is vreugde in de hemel over een zondaar die zich bekeert’.
Na de gewone tijd van voorbereiding en onderricht werd Eudokia gedoopt. Zij maakte een uitvoerige lijst op van al haar bezittingen en droeg die over aan de bisschop om ze onder de armen te verdelen. Zelf ging zij in haar doopkleed naar het zusterklooster dat onder de hoede van de oude Germanos stond. Dit witte kleed bleef zij dragen tot aan haar dood, alleen trok zij er in de winter een jutezak overheen tegen de koude.
Haar bekering baarde natuurlijk groot opzien in de stad. Een van haar jonge minnaars wist onder valse voorspiegelingen tot haar door te dringen en begon haar te smeken dit armoedige leven te verlaten en naar Heliopolis terug te keren waar heel de stad op haar wachtte. Maar Eudokia wist dat zij het beste deel had gekozen, en de jongeman verliet haar, diep geschokt in al zijn zekerheden.
Daarna brak de vervolging onder Valerius uit en Eudokia werd in haar klooster met het zwaard omgebracht, in de tweede eeuw. (De datum is volgens het Griekse mineon. ln die tijd waren er echter nog geen kloosters in de tegenwoordige zin van het woord.)

De heilige Antonina leefde in Nicea tijdens het bestuur van Maxentios. Toen zij als christen gevangen werd genomen, weigerde zij wierook te offeren aan de goden. Daarom werd zij op de pijnbank verscheurd en vervolgens verdronken in een moeras bij Zia, in het begin van de 4e eeuw.

De heilige Domnina uit Kyros in Syrië‚ leefde in een hutje in de tuin van haar rijke ouders, niet ver van de kerk, waar zij alle diensten meebad: vespers, middernachtgebed en de metten. Zij was uitgemergeld door het voortdurende vasten en verborg altijd haar gelaat dat zij aan niemand toonde, en zij keek ook nooit iemand aan maar bad onder tranen. Monniken die haar kwamen opzoeken stuurde ze naar bisschop Theodoritos, waar ze gastvrijheid ontvingen. Zij zorgde ook voor arme reizigers die door de stad trokken, en uit het vermogen van haar ouders gaf zij aalmoezen‚ totdat zij stierf in 460. Haar leven is beschreven door de reeds genoemde bisschop Theodoritos,

De heilige Martyrios (Makarios) Selenetski‚ uit het gouvernement Pskov, werkte als monnik in het Sergiev-klooster. Later stichtte hij het Drie-eenheidsklooster op het eiland Seleni (het ‘groene’)‚ 180 km van Petersburg, en daar is hij in hoge ouderdom gestorven in 1603.

De heilige Monan was aartsdiaken van de heilige bisschop Adriaan van Saint Andrews, die hem reeds als kind had opgevoed. Hij werd door hem uitgezonden om het Evangelie te prediken op het eiland May, in de monding van de Firth of Forth, en vervolgens in Fife. Zijn werk had zwaar te lijden onder de invallen van de Noormannen, die de kuststreken verwoestten, kerken en kloosters in brand staken en de bevolking gevangen meesleepten. Hij is gestorven in 874, mogelijk gedood door de invallers, evenals duizenden andere bewoners.

De heilige Agapios was novice bij een oudvader in de skite Kolitsa van het Watopedi-klooster op de Athos. Toen hij eens in zee zijn kleren waste, werd hij door Turkse zeerovers gevangen genomen en als slaaf verkocht in Magnesia. Hij diende een Turkse boer twaalf jaar lang met hard werken, bijna dag en nacht. Door een bijzondere samenloop van omstandigheden kreeg hij kans om te vluchten, maar toen hij in zijn klooster terugkwam en zijn belevenissen verteld had, beval zijn starets hem terug te keren naar zijn meester, die hem met zijn laatste geld had gekocht. Agapios gehoorzaamde en keerde vrijwillig naar zijn eigenaar terug. Deze werd daardoor zo diep getroffen dat hij zich, met zijn zoons, liet dopen. Samen met Agapios gingen zij naar de Athos, waar zij als monnik in vrede ontslapen zijn.

De heilige David (Dewi), aartsbisschop van Menevia, patroon van Wales. Hij was in 446 geboren in Mynyw, dat sindsdien St.-David heet. Hij was van koninklijke bloede‚ kleinzoon van de grote veroveraar van Noord-Wales. Van jongsaf was hij bestemd voor de geestelijke stand en hij werd ook in die richting opgevoed. Na zijn priesterwijding zette hij zijn studie voort, en nadat hij zich nog tien jaar had verdiept in de heilige Schrift, trok hij naar de wildernis om zich in de eenzaamheid te wijden aan studie en gebed. Hij vond een geschikte plaats bij een rivier met bergweiden, waar eetbare planten waren te vinden en daar bouwde hij een kapel met een kluis erbij. Op die plaats werd later een klooster gesticht. David zelf echter trok zich na een droomgezicht terug naar zijn geboorteplaats om daar een klooster te grondvesten, waar nu de kathedraal van St.-David staat. Hij leidde hetzelfde strenge leven als tevoren: water als enige drank en een absolute onthouding van elk dierlijk voedsel. Hij wijdde zich geheel aan het gebed, aan de studie, en aan de opvoeding van zijn leerlingen. Er ging zoveel invloed van hem uit dat hij al spoedig tot bisschop werd gewijd, zoals dat met vele abten in zijn tijd het geval was.
Hij leefde met zijn monniken volgens een uiterst strenge regel. De gehele dag werd gewijd aan zwaar werk, waarbij geen gebruik mocht worden gemaakt van lastdieren om het werk te verlichten. Er werd voortdurend gebeden, afwisselend hardop of in stilte. Tegen het einde van de middag keerde men naar het klooster terug voor de geestelijke lezing, het koorgebed en de maaltijd. Deze bestond uit brood en wortelen, met wat zout als enige kruiderij. Daarbij dronken zij met water verdunde melk. Na het avondmaal werden drie uren besteed aan contemplatief gebed, en dan volgde een korte nachtrust. De vroege ochtend begon met koorgebed totdat het tijd was voor de handenarbeid.
Wie wilde intreden moest tien dagen buiten de poort blijven en telkens opnieuw om toelating vragen en intussen de hatelijkste baantjes opknappen onder een onvriendelijke bejegening. Wie tenslotte binnengelaten werd, moest tevoren afstand doen van al zijn bezittingen: het klooster mocht daarvan niets aannemen.
Zover het maar enigszins mogelijk was hield David zich ver van alle materiële problemen. Wel nam hij deel aan de synode ter bestrijding van het pelagianisme, de leer die het belang van Gods genade kleineerde en die juist in de Britse landen telkens weer nieuwe aanhang vond. Dit deed hij echter eerst nadat de besprekingen min of meer waren vastgelopen en hij met de meeste aandrang werd uitgenodigd om zijn getuigenis te komen afleggen. Zijn levend woord, vanuit de diepte der contemplatie gesproken, oefende een beslissende invloed uit. Bij acclamatie werd hij toen tot primaat van de Cambrische kerk uitgeroepen.
Dit wordt in de legende poëtisch tot uitdrukking gebracht. Er wordt in verteld dat een sneeuwwitte duif uit de hemel neerdaalde en zich op zijn schouder nestelde, terwijl de aarde onder zijn voeten omhoogkwam tot hij op een verhoging stond en zijn stem als een bazuin over de gehele bijeenkomst schalde.
De heilige David verzette zich eerst sterk tegen deze verkiezing, maar tenslotte aanvaardde hij het ambt onder voorwaarde dat hij de zetel vanuit de drukke stad Caerleon mocht overplaatsen naar het rustige Mynyw. Dit zou het bisdom tegelijk beschermen tegen de steeds verder naar het westen opdringende heidense Engelse stammen. De beroemde koning Arthur gaf daarvoor zijn toestemming.
Ondanks zijn teruggetrokken leven toonde David zich in dit nieuwe ambt als een krachtig en hard werkend bestuurder. In 529 presideerde hij wat later genoemd werd ‘de overwinningssynode’, waar de laatste resten van het pelagianisme werden weggevaagd. Er werden canons en regels opgesteld voor het bestuur van de Britse kerk. In zijn bisdom Cambria maakte de kerk een grote bloeitijd door: het geestelijk leven verdiepte zich en alom verrezen kloosters, terwijl onder de leken broederschappen ontstonden die met vurige godsvrucht de heilige Mysteriën vierden. En allen zagen in David hun werkelijke vader, het levende voorbeeld ter navolging, zo geheel in overeenstemming met zijn meeslepend woord. En de kroniek van zijn dagen somt op: ‘Hij was de levende leer voor zijn toehoorders, een gids voor de geestelijken, een licht voor de armen, een steun voor de wezen, een beschermer der weduwen, een vader voor de wezen, een regel voor de monniken, en een weg voor de leken; in één woord: iemand die alle soorten mensen wist te brengen tot God’.
Hij stierf op bijna honderdjarige leeftijd in 544. Een onnoemlijk aantal legenden is gehecht aan zijn naam, die getuigen van de grote invloed die van hem is uitgegaan en van de overweldigende kracht van zijn tegelijk zo lieflijke persoonlijkheid.

De heilige Albinus (Aubin), bisschop van Angers, stamde uit een oude familie uit Vannes. Hij werd monnik in de abdij van Cincillac, het latere Tintillant. Toen hij 35 jaar oud was, in 504, werd hij tot abt gekozen, en dit toont hoezeer hij reeds toen voor hen een voorbeeld was van waar christelijk leven en monastieke ijver. Nadat hij zijn klooster gedurende 25 jaar had bestuurd, werd hij in 529, zowel door het volk als door de geestelijkheid, gekozen tot bisschop van Angers. Hij speelde een rol op het derde Concilie van Orleans‚ waar hij de kerkelijke wetten verdedigde die gericht waren tegen het trouwen binnen te nauwe familiebanden maar verder is er weinig over hem bekend. Hij is gestorven in 549, in de ouderdom van 81 jaar, en genoot daarna een bijzondere populariteit onder de Franse christenen.

De heilige Hesychius‚ bisschop van Spanje‚ was volgens de traditie een van de zeven apostelen die door de heilige Petros naar Spanje waren gezonden. Hij moet gepredikt hebben in de streek van Gibraltar, waarbij hij Cartesia (Algeciras) als basis gebruikte. Hij is daar de marteldood gestorven, maar verder is er niets met zekerheid over hem bekend.

De heilige Suitbertus de Oudere, bisschop van de Friezen. Hij was een monnik uit Northumbrië, een leerling van de heilige Egbertus, met wie hij naar Ierland trok. Maar Egbertus was bijna bezeten van de Friezen die bekeerd moesten worden, en omdat die mogelijkheid voor hemzelf afgesloten bleef, wist hij dit verlangen over te dragen op Suitbertus, en hij gaf hem mee toen Willibrord in 690 naar de Friezen overstak. Zij gingen aan land bij Katwijk, aan de mond van de Rijn, en Willibrord vestigde zijn hoofdkwartier in Utrecht.
Twee jaar eerder had Pepijn van Herstal een grote overwinning behaald op Radboud, de koning van Friesland. Hij had hem tot vrede gedwongen en het land tussen Maas en Rijn in bezit genomen, de streek rond Leiden, Delft, Gouda, Den Briel, Dordrecht en Utrecht. Willibrord deed een beroep op de hulp van Pepijn en deze zond hem naar Rome voor een officiële missie-opdracht. Zijn werk had succes en vier jaar later zond Pepijn hem opnieuw naar Rome, nu met het verzoek Willibrord tot bisschop te wijden voor het nieuw-bekeerde volk. De wijding geschiedde in 696, en Willibrord vestigde zijn zetel in Utrecht, waarvan hij de eerste bisschop werd.
Intussen had Suitbertus in Neder-Friesland, dat wil zeggen in Zuid-Holland en Noord-Brabant, Gelderland en Cleve, met veel succes het missiewerk voortgezet. Nu wilde hij doordringen in het onbekende gebied aan de andere kant van de Rijn. Willibrord voelde eigenlijk niet zoveel voor de wat wilde plannen van de jonge, enthousiaste Suitbertus, maar terwijl Willibrord naar Rome was, zag Suitbertus zijn kans. Hij ging in 697 naar Engeland, om zich tot missiebisschop te laten wijden, zonder vaste standplaats, en trok toen de Rijn over naar het land der Brukten, tussen de Lippe en de Roer. Hij werd eerst vijandig afgewezen, maar hij wist het hart van de mensen te winnen door hun te laten zien hoe land vruchtbaar gemaakt kon worden, hoe graan kon worden verbouwd en hoe paardenteelt bedreven moest worden. Zo werd hij op den duur hun vertrouwde raadsman in alle praktische kwesties. Daarna begon hij hun over Christus te spreken en het Evangelie te verkondigen, en ook hierin werd hij toen vertrouwd, zodat zijn missiewerk vrucht begon te dragen.
Dit wekte echter de argwaan van het buurvolk, de Saksen, die dit zagen als een samenzwering met hun erfvijand, de Franken. Zij vielen Westfalen binnen en richtten een gruwelijke slachting aan. Suitbertus werd gevangen genomen en zo zwaar mishandeld dat hij bijna stervend was. Met behulp van enkele vrienden slaagde hij er echter in te ontsnappen, en met zijn monniken bereikte hij de Romeinse burcht op het Rijn-eiland Kaiserswerth bij Düsseldorf. Daar stichtte hij in 710 een klooster met het doel jonge monniken op te leiden om het werk onder de Germaanse stammen voort te zetten. Onophoudelijk hield ook hij zich met dit zware werk in de ontoegankelijke wouden en moerassen bezig, totdat hij stierf in 713.

De heilige Leo, aartsbisschop van Rouen, was een van de drie zonen uit een diep christelijk gezin in Noord-Frankrijk. Hij werd tot bisschop van Rouen gekozen, maar zijn hart ging uit naar missiewerk. Hij gaf het bestuur van zijn diocees in handen van zijn vicaris-bisschoppen en met zijn beide broers ging hij naar Bayonne‚ waar het christendom nog maar oppervlakkig gevestigd was, en waar bovendien de Moorse veroveraars een kolonie hadden gevestigd.
Hij werd warm ontvangen, met zijn beide broers die zijn medehelpers waren, en maakte vele bekeerlingen in de streek van Les Landes, rond Bordeaux en in de bergen van Biscaye. Hij werd gedood door enkele piraten die uit de stad verdreven waren om hun wrede aanslagen, rond 900.

De heilige Rudesind uit Cordova in Spanje had op rustige wijze een kerkelijke loopbaan gevolgd en werd ten slotte bisschop gewijd van Dumium, een niet meer bestaande zetel. ln die tijd was een neef van hem, Sisnand, bisschop van Compostella, de beroemde bedevaartplaats. Deze veroorzaakte door zijn onheilig gedrag een groot schandaal. Het ging van kwaad tot erger en hij kwam in de gevangenis. Op algemeen verzoek nam Rudesind de bisschopszetel in Compostella waar. Hij zorgde voor het aan hem toevertrouwde volk in alle opzichten, en toen de Noormannen Gallicië binnenvielen organiseerde Rudesind zelfs een leger. Hij stelde zich aan het hoofd en wist de indringers en plunderaars te verdrijven.
Des te opvallender was het dat toen Sisnand later uit de gevangenis wist te ontsnappen en in de Kerstnacht met getrokken zwaard de kerk binnenviel waar Rudesind diende, deze onmiddellijk zijn ambt neerlegde ten bate van Sisnand. Hij trok zich terug in een klooster en werd daar monnik. Later werd hij tot abt gekozen en hij dat bleef hij tot aan zijn dood in 977.

De gerechte Seth, Enos en Henoch, uit de voorouders van de Heer.
Seth was de derde zoon van Adam, hem door God geschonken als troost voor zijn vermoorde zoon Abel. Hij leefde 912 jaar. In hem herkende Adam weer de icoon volgens welke hij geschapen was. ‘Toen Adam 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem geleek en zijn icoon was; en hij noemde hem Seth’ (Gen. 5: 3). Ook zijn zoon Enos bereikte zulk een ongelooflijk hoge leeftijd, 905 jaar. Daarna nam de levensduur af; Henoch, uit het zevende geslacht, leefde 365 jaar en werd toen, zonder te sterven, van de aarde weggenomen. ‘Op de aarde is er niemand geschapen die was zoals Henoch, want hij werd van de aarde weggenomen.’ (Jes. Sir. 49: 14, vgl. 44: 16).

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Nestor, bisschop van Magida, en Tribimios, die te Perge in Pamfilië geleden hebben onder Decius; met hen werden verbrand Markellos en AntoniosSilvester en Sofronios stierven door het zwaard in Palestina; Nestorianos, Charisios‚ Nikeforos‚ Agapios en ontelbare anderen vielen door het zwaard in Perzië onder Sapor; Hermes en Adriaan te Marseille; 260 martelaren te Rome, onder Claudius; Leo, Donatus‚ Abundantius, Nicephorus en 9 anderen, te Rome; Herculanus, bisschop van Perugia, onthoofd op bevel van Totila; Paraskevas de nieuwe martelaar‚ opgehangen in Trapezunt in 1659; en de monnik-martelaar Paulos, levend verbrand omwille van de verering van de heilige iconen.

Eveneens op deze dag de heilige Donatos en Porfyrios, met hun medemonniken abba Germanos en abba Sarapamon, de abt; Gabra Menfeskeddus (d.w.z. dienaar van de Heilige Geest), een van de beroemdste asceten van Ethiopië; Sevardus (Siviard), abt van het klooster van de heilige Calais, te Le Mans, rond 700; Simplicius, bisschop van Bourges, 480; Abdalong, bisschop van Marseille‚ 3e eeuw; Felix III‚ bisschop van Rome en voorvader van Gregorius de Grote; en Silvester, patriarch van Jeruzalem.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Datum:
1 maart
Evenement Categorie: