Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

19 februari

De heilige Archippos en Filemon, apostelen uit de zeventig, en Apfia, de vrouw van Filemon. Zij waren leerlingen van de apostel Paulos, die in zijn brieven ook over hen spreekt (Col. 4: 17). Archippos diende in Colosse‚ Filemon was eerst als bisschop naar Gaza gezonden, maar kwam later in Colosse prediken. Apfia had daar een huiskerk, waar zij een ascetisch leven leidde in gebed en vasten, en voor de heiligen en de armen zorgde. Hier werden zij ook gezamenlijk gevangen genomen door opgezweepte heidenen tijdens een feest van Artemis, de grote Diana der Efesiërs. Zij werden door de woedende menigte zodanig mishandeld dat zij stierven.

De heilige Barbatus, bisschop van Beneventum. Hij was daar geboren tegen het einde van het leven van de heilige Gregorios de Grote, dat wil zeggen in het begin van de zevende eeuw. Zijn ouders hadden alles in het werk gesteld om hem een werkelijk christelijke opvoeding te geven, en ze mochten de vrucht daarvan met eigen ogen zien, want Barbatus beantwoordde geheel aan hun zorgen. Hij blonk uit door studiezin en hield zich daarbij op bijzondere wijze bezig met de Heilige Schrift.
Omdat hij een uitgesproken talent had voor de prediking, werd hij reeds in de kathedrale kerk met de verkondiging belast. Later werd hem een eigen parochie toevertrouwd in een nabijgelegen dorp. Zijn blijkbare intellectuele superioriteit maakte hem echter weinig geschikt voor het leiden van een ruwe boerenbevolking. Er ontstonden conflicten toen hij voortvarend verschillende ingeslopen misbruiken wilde afschaffen, en de onenigheid liep zo hoog dat men zich niet ontzag om Barbatus te mishandelen. Hij verdroeg dit met geduld, zonder zich te beklagen, maar dit was niet voldoende om zijn tegenstanders voor zich te winnen. Zij begonnen een uitgebreide Iastercampagne totdat Barbatus naar de stad werd teruggeroepen.
Daar werd hij door degenen die hem kenden vol vreugde ontvangen, maar ook daar kreeg hij te maken met allerlei bijgelovige praktijken onder het volk, waartegen hij in het geweer kwam. In het begin eveneens met weinig succes, maar hij bleef er voortdurend op wijzen hoezeer zij God beledigden door niet op Zijn goedheid te willen vertrouwen. Toen kwam er rechtstreekse steun van God. Barbatus zag in een visioen hoe keizer Constantius Italië zou binnenvallen en welk een ellende dat voor de stad zou brengen. Hij had daar ook over gepreekt. Toen enige tijd later het keizerlijk leger Beneventum volkomen insloot, zodat er een uiterste hongersnood ontstond, keerde het volk tot zichzelf en beloofde afstand te doen van hun bijgeloof. Toen troostte de heilige hen en beloofde dat het leger weldra het beleg zou opheffen, en dat geschiedde ook.
Zo had Barbatus het volledig vertrouwen van allen gewonnen en nu viel het licht om een einde te maken aan de misbruiken en om de zedelijke toestand te verbeteren. En toen de bisschop gestorven was, werd hij vanzelfsprekend de aangewezen opvolger, in 663. Als bisschop kon hij zijn werk met nog meer vrucht ten uitvoer brengen, en zijn faam werd groot in heel de kerk. Zo nam hij deel aan het concilie van Rome in 680, en aan het zesde oecumenische concilie van Constantinopel, in 681, waar de monotheleten werden veroordeeld, die niet wilden inzien dat er in Christus een volledige menselijke wil aanwezig is, zoals ook blijkt uit Zijn gebed in de Olijfhof. Na dit alles ontsliep hij in de Heer, in zijn bisschopsstad, in het jaar 682.

De heilige Filothea Venizelou was het enige kind van een rijke Atheense familie. Haar verlangen was om moniale te worden, maar uit liefde voor haar ouders aanvaardde zij om te trouwen. Het was geen gelukkig huwelijk, maar na drie jaar stierf haar echtgenoot, zodat Filothea vrij was om haar verlangen te volgen en zich aan het monastieke leven te wijden. Zij stichtte een kloostergemeenschap die vele meisjes en vrouwen aantrok. Met grote edelmoedigheid zette zij zich in voor armen en verdrukten, en haar naam werd tot ver in de omtrek bekend. Daardoor vonden ook vier christenmeisjes, die als slavinnen door hun Turkse bezitter mishandeld werden, de moed om te vluchten en haar om bescherming te vragen. Daarop werd Filothea gearresteerd, maar zij verklaarde liever de marteldood te willen sterven dan hun schuilplaats te verraden.
Bij die gelegenheid zou zij echter niet sterven, want enige rijke christenen brachten geld bijeen om de eigenaars van de slavinnen schadeloos te stellen, en waarschijnlijk ook om het gerecht om te kopen. Filothea werd vrijgelaten en keerde naar haar klooster terug. Enige tijd later werd zij echter slachtoffer van de wraak der Turken, die tijdens de dienst in de kerk inbraken en haar zodanig afranselden dat zij enige tijd later aan haar verwondingen bezweek, 1589. Zij was toen 67 jaar oud.
De heilige Filothea is een van de beschermheiligen van Athene. Bij haar jaarlijks feest worden haar relieken gedragen door leden van de familie Venizelou.

De heilige Eugenios en Makarios waren priesters in Antiochië. Om hun kritiek op Julianos de Afvallige werden zij aan allerlei martelingen onderworpen, en toen zij dit levend hadden doorstaan, werden zij verbannen naar Mauretanië. Daar zijn zij in 363 gestorven, nadat ze er nog enkele jaren als kluizenaar hadden geleefd.

De heilige Dositheos was page bij een generaal van het byzantijnse leger, in het begin van de zesde eeuw. Hij was een aardige jongen en maakte deel uit van een gezin dat klaarblijkelijk maar heel oppervlakkig christen was, want hij had nog nooit iets over God en het eeuwige leven gehoord. Wel had hij horen spreken over de stad Jeruzalem en hij was nieuwsgierig geworden, en op zijn verzoek gaf de generaal hem mee aan een van zijn vrienden die van plan was de heilige plaatsen te bezoeken. Zo kwam hij ook in de kerk die in Gethsemane was gebouwd. In de narthex bevond zich een uitbeelding van de hel. Dositheos was door dat merkwaardige schouwspel zeer getroffen en hij keek er vol aandacht naar. Plotseling stond er naast hem een statige vrouw, in purper gekleed, die hem uitleg gaf over het lot der verdoemden. Dositheos werd angstig en vroeg hoe hij aan zulk een lot kon ontkomen. De vrouw zeide hem: ‘Vast, eet geen vlees, en bid onophoudelijk’, waarna zij verdwenen was.
De jongen hield zich daaraan, maar toen de soldaten uit het gezelschap hem zo zagen leven, zeiden ze: ‘Zoiets past niet in de wereld, dan moet je in een klooster zijn’. En ofschoon Dositheos geen flauw idee had wat een klooster was, vroeg hij daarheen gebracht te worden. En zo kwam hij terecht in het klooster van Seridos bij Gaza, in het zuiden van Palestina.
Abt Seridos vond het een nogal twijfelachtig geval, maar hij stelde hem in handen van de toen nog jonge, heilige Dorotheos, die aan het hoofd stond van de ziekenafdeling. Deze zag de onschuld en de goede wil van Dositheos en werkte heel geleidelijk aan zijn opvoeding. Hij liet hem helpen bij de ziekenverzorging, een afdeling die een aantal monniken volkomen in beslag nam. De zware ascese van weinig afwisselend en zelden eten, met daarbij het gebrek aan voldoende nachtrust door de diensten en de persoonlijke nachtwaken, waren oorzaak van veel ziekten onder de monniken. Dositheos deed dit werk met hart en ziel en was slechts af en toe bitter bedroefd wanneer hij zich door een lastige zieke tot ongeduld had laten verleiden.
Maar wat Dorotheos vooral in hem wilde bereiken was het volkomen verzaken aan de eigen wil, het blijmoedig volbrengen van alles wat hem werd opgedragen en het nooit iets voor zichzelf zoeken. Daar worden enige typerende voorbeelden van opgenoemd in zijn levensverhaal. Toen hij een mantel nodig had, gaf Dorotheos hem een oude, en de handige Dositheos verstelde deze zo netjes dat die weer als nieuw leek. Toen kreeg hij opdracht die aan een zieke te geven. En dat deed de jongen, zonder enig blijk van protest of wrevel. En dat niet slechts eens, maar herhaalde malen achter elkaar.
Deze volkomen overgave bracht hem rechtstreeks tot een grote volmaaktheid. In het vijfde jaar van zijn kloosterleven liep hij een tuberculeuze besmetting op van een bijzonder kwaadaardig type, zodat zijn gezondheidstoestand met grote snelheid achteruit ging. Een tijdlang kon hij nog het Jezusgebed zeggen tot hij ook daarvoor te zwak werd. Zijn aan alle kanten pijnlijk lichaam moest in een laken gedragen worden. Hij kon nog alleen maar innerlijk zich in Christus’ tegenwoordigheid stellen. Tenslotte werd hij zo door uitputting overmand dat hij verlof vroeg om te mogen sterven. Maar zijn geestelijke vader maande hem aan geduld te hebben en vol te houden, en pas na enkele dagen, toen Dositheos zei dat hij niet meer kon, en aan het einde van zijn krachten was, liet de grote oudvader Barsanoefios hem zeggen: ‘Ga in vrede, neem plaats bij de Heilige Drie-eenheid en bid voor ons’.
Zo was hij door zijn bewonderenswaardige levenswijze van volkomen overgave, zonder dat hij enige opvallende daad of ascese had verricht, in enkele jaren gegroeid tot een grote graad van heiligheid.

De heilige Konon, afkomstig uit Cilicië, trok naar het Heilige Land en werd monnik in het klooster van Penthoekla, in de woestijn van de Jordaan. Later werd hij priester gewijd en kreeg tot taak om de pelgrims die daarvoor kwamen, te dopen in de Jordaan. Hij werd daarin gesterkt door een gezicht van de heilige Johannes de Doper, die hem de waarde leerde van dit werk. Hij is gestorven in 555.

De heilige Niketas de nieuwe hiëromartelaar, een priester, haalde zich opzettelijk de marteldood op de hals door in de streek van Serres en Drama (Noord-Griekenland) openlijk de islam te bestrijden en Christus te verkondigen. Hij werd gegrepen, zwaar gefolterd en tenslotte opgehangen in 1809.

De heilige Mesrovb, de leraar, leefde van 355 tot 439. Hij was een uiterst begaafde jongen en studeerde in Etchmiadzin (Armenië), Edessa en Antiochië. Naast zijn moedertaal sprak hij vloeiend Perzisch, Aramees en Grieks. Dit maakte hem reeds spoedig tot een hooggeplaatst man. Hij werd kanselier van koning Chosroës III, maar deze hoge functie gaf hij op toen hij veertig jaar oud was, om monnik te worden.
Als monnik was hij een groot asceet en de voornaamste medewerker van de heilige lsaäk (Sahak) de Grote bij de ontwikkeling van de Armeense Kerk. Onvermoeibaar reisde hij heen en weer tussen Perzisch en Byzantijns Armenië om de eenheid van de kerk te bewaren en het rechte geloof te prediken. Daarbij ondervond hij grote bezwaren omdat niets schriftelijk kon worden vastgelegd, er bestond geen eigen schrijfcultuur in het Armeens. Hij zag hoeveel goeds verloren ging doordat er geen Armeense boeken bestonden en daarom vervaardigde hij een speciaal alfabet (van 36 lettertekens) om Armeense boeken te kunnen schrijven. Hij bouwde een geheel onderwijssysteem op, stichtte scholen en werkte aan de vertaling van de Heilige Schrift. Verder schreef hij de boetehymnen van de Grote Vasten, veel leerbrieven aan monniken, en uitleg van de Heilige Schrift. Om dit alles werd hij de Armeense Mozes genoemd. Samen met zijn leerlingen staat hij aan het begin van de Gouden Eeuw van Armenië, een bloeitijd van patristiek, dichtkunst en literatuur.
Zijn missiereizen brachten hem tot in Georgië, waar hij ook grote invloed uitoefende, en hij zond geleerden tot in Rome om manuscripten te zoeken. Hij was een van degenen onder wie ook de eigen Armeense vorm van de Goddelijke Liturgie, gebaseerd op die van de moederkerk in Cappadocië, ontstond. Door hun hoge ouderdom hebben zijn geschriften ook nu nog een grote wetenschappelijke waarde naast hun eigenlijke liturgische kostbaarheid.

De heilige Odran was gewoon, naast de wagen lopend, het paard te mennen van de reiskoets van de heilige Patrick. Eens hoorde hij onder het dienstvolk vertellen dat een van de edelen, die een gloeiende haat tegen de heilige Patrick had opgevat, zich in hinderlaag wilde leggen om hem onderweg te doden. Toen ze in de buurt van diens kasteel kwamen, vroeg Odran aan de heilige Patrick: “Meester, al sinds zo lange tijd heb ik u gereden. Laat mij nu eens op de wagen zitten en dat u ernaast loopt voor het paard?”
De heilige stemde erin toe en niet lang daarna sprong de edelman uit zijn schuilhoek en doorboorde Odran met zijn speer, in de mening dat hij de apostel doorstak. Maar deze sloeg zijn ogen op en zag hoe engelen de ziel van Odran. zijn trouwe dienaar, omhoog droegen naar de woningen van de eeuwige vreugde.

De heilige Rabulas, afkomstig uit Samosata aan de Eufraat, werd monnik en leefde als kluizenaar in een grot in de bergen. Toen zich een kring monniken rond hem verzameld had, en ze op die onherbergzame plaats niet in leven konden blijven, trok hij met hen naar Fenicië, waar hij rond 478, met hulp van Koning Zenon en bisschop Johannes van Beyroet een klooster stichtte in de bergen. Toen het leven daar geregeld was, werd hij uitgenodigd om naar Constantinopel te komen, en ook daar stichtte hij na 491, een klooster dat zijn naam draagt. Hij onderscheidde zich door zijn intelligentie, zijn zacht- moedig en liefdevol gedrag, de voortdurende waakzaamheid over zichzelf, en zijn grote kennis van de Heilige Schrift. Ongeveer tachtig jaar oud is hij daar ontslapen, rond 530.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Maximos, Theodotos, Hesychios en Asklepiodota, ter dood gebracht in 305; Publius, Julianus, Marcellus met vele anderen in Noord-Afrika; Gabinius, priester van Rome, en broer van de gisteren herdachte Claudius, werd op deze dag ter dood gebracht in 296; en de christenen die in Palestina door de Saraceense aanvoerder Alamundar op uiterst wrede wijze werden vermoord.

Eveneens op deze dag de heilige Quodvultdeus, bisschop van Carthago, die met zijn geestelijkheid door de ariaanse koning Genserik op wrakke schepen, zonder zeilen of riemen, was ingescheept, maar ongedeerd landde in Napels; Zambdas, bisschop van Jeruzalem; en Mansuetus, bisschop van Milaan.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Datum:
19 februari
Evenement Categorie: