Heiligen van de dag

Laden Evenementen

« Alle Evenementen

  • Dit evenement is voorbij.

Heiligen van de dag

16 februari - 17 februari

De heilige Flavianos, monnik, leefde 60 jaar als ingeslotene in een kleine hut op een berg, zonder ooit door iemand gezien te worden. Eenmaal per week brachten de gelovigen hem wat geweekte rauwe bonen, en daarvan leefde hij. Zijn gebeden waar men hem om vroeg werden soms op wonderbare wijze verhoord.

De heilige Honestus was een inwoner van Nimes die door de heilige Saturninus werd meegenomen op zijn missietocht omdat zijn geloofsijver en toewijding hem waren opgevallen. Hij gaf hem volledig onderricht, wijdde hem toen tot priester en zond hem naar Spanje om te prediken. Hij had vooral succes in Pampeluna, waar hij zelfs de senator met heel zijn gezin tot Christus wist te brengen. Diens zoon Firminus werd zijn trouwste volgeling, maar ook heel de bevolking van de stad volgde zijn leer, zodat zij zelfs hun grootste afgodstempel, gewijd aan Diana, afbraken. Honestus is gestorven rond 270.

De heilige Flavianos was patriarch van Antiochië toen Johannes Chrysostomos daar priester was. Deze heeft in zijn preken ‘over de standbeelden’ een beroemd portret van Flavianos geschilderd. Het volk van de stad was in opstand gekomen tegen een onpopulaire belastingmaatregel, en had vol woede de standbeelden van het keizerlijk gezin vernield. Zulk een majesteitsschennis werd altijd op de verschrikkelijkste manier gewroken. De prefect van de stad maakte iedere dag nieuwe gevangenen die gemarteld werden en daardoor weer nieuwe nemen noemden, de volgende slachtoffers. Het was winter, maar de oude Flavianos reisde naar de keizer met zoveel spoed dat hij een week eerder aankwam dan de koerier van de prefect met de onheilsboodschap. Zo kreeg hij gelegenheid de keizer tot barmhartigheid te bewegen, zodat tenminste het leven der burgers verder werd gespaard. Zo werd hij op heel bijzondere wijze de weldoener van zijn kudde. Vijfde eeuw.

De heilige Juliana was de dochter van een voorname heiden in Nikomedië (Klein-Azië). Door schijnbaar toevallige omstandigheden kwam zij reeds als kind in een bijeenkomst van christenen en in haar onschuld kwam zij tot inzicht van de waarheid, zodat zij zich, zodra dat mogelijk was, liet dopen.
Op negenjarige leeftijd werd zij door haar ouders verloofd aan Eleusios, een jongen van haar stand. Negen jaar later was deze stadsprefect geworden en eiste haar hand op. Juliana verklaarde dat zij alleen maar met een christen wilde trouwen. Haar woedende vader ranselde haar af, maar dit kon haar niet van gedachten doen veranderen. Haar verloofde voelde zich in zijn eer aangetast en liet haar op de afgrijselijkste manieren martelen. Juliana bleef echter standvastig en werd tenslotte onthoofd in 303. Haar lichaam werd later naar Napels overgebracht.

De heilige Maroethas, bisschop van Tagritis in Mesopotamië, bekend om zijn vurig geloof en zijn warme menselijkheid, nam deel aan het 2e oecumenische concilie van Constantinopel (tegen de Eutychianen en de Messalianen, die weer op een andere manier de Godheid van Christus ontkenden). De keizer leerde hem hoogschatten en gebruikte hem voor verschillende diplomatieke zendingen. Zo werd hij ook naar koning Sapor II van Perzië gezonden, met wie pas sinds kort vrede gesloten was. De christenen waren daar zeer wreed vervolgd, maar nu begon Sapor waardering voor Maroethas te krijgen, vooral nadat deze zijn zieke dochter door zijn gebed genezen had. Maroethas vroeg toen als gunst om de relieken van 400 gemartelde christenen te mogen meenemen. Deze bracht hij naar een kerk in Zuid-Armenië, waar toen een stad ontstond die daarom Martyropolis genoemd werd.
Maroethas stelde de geschiedenis van hun marteldood op schrift. Hij is in Martyropolis gestorven terwijl juist hun gemeenschappelijke gedachtenis werd gevierd, en daarom is ook zijn gedachtenis met de hunne blijvend verbonden.

De heilige Pamfilos, Valens, Paulos, Porfyrios, Seleukos, Theodoulos, Julianos, Samuël, Elia, Daniël, Jeremia en Jesaja, die onder Diokletiaan zijn omgebracht in 308. Pamfilos was priester in Caesarea, nadat hij zijn studies had gedaan in Alexandrië. Hij deed veel voor het herstel van de boeken van het Nieuwe Testament, waarin door het vele afschrijven een aantal fouten en vergissingen waren binnengeslopen. Daartoe verzamelde hij zoveel mogelijk boeken, opdat hij, door het vergelijken van de verschillende manuscripten, de oorspronkelijke tekst kon reconstrueren. Deze boekenverzameling groeide uit tot een grote bibliotheek, die het wetenschappelijk middelpunt werd van heel de omgeving.
Valens was zijn diaken, reeds oud, verstandig en wijs. Hij kende geheel de Heilige Schrift uit het hoofd en was daardoor een waardevolle hulp bij het werk van Pamfilos.
Paulos, een vurig christen, werkte met hen mede. Hij was om zijn geloof reeds eens in het vuur geworpen, maar had het er levend afgebracht. Nu werd hij opnieuw gegrepen met de priester en de diaken. Zij werden gefolterd en twee jaar gevangen gezet totdat zij tenslotte werden onthoofd. Dit lot deelden zij met Elia, Jeremia, Jesaja, Samuël en Daniël, vijf broers die bij het christen worden deze profetennamen hadden ontvangen, in plaats van de aan afgoden herinnerende namen die zo vaak in Egypte werden gedragen. Zij hadden een groep van 130 christenen die tot het martelleven van slavenarbeid in de mijnen veroordeeld waren, op hun tocht naar het verre Cilicië vergezeld. Op hun terugweg naar Egypte kwamen zij door Caesarea. Toen hun aan de stadspoort gevraagd werd wie zij waren en waar ze heengingen, gaven ze ten antwoord dat ze christenen waren, op weg naar het hemelse vaderland. Zij werden meteen gevangen genomen en de volgende dag voor de rechter gebracht. Deze ondervroeg hen op de folterbank omdat hij hun achtergrond wilde achterhalen om daardoor beter tegen het geloof te kunnen optreden. Maar zij hielden vast aan hun christennamen en vermelden als woonplaats Jeruzalem (denkend aan het hemels Jeruzalem). Dit begrip was de heidenen uit die tijd volledig onbekend want de stad was door de Romeinen verwoest en opnieuw opgebouwd onder de naam Aelia Capitolina omdat keizer Hadrianus haar bestaan uit het geheugen der mensheid wilde wissen. De rechter voelde zich dus bespot en liet hen nog heftiger folteren, echter met hetzelfde resultaat. Tenslotte werden zij, toen zij aan hun belijdenis vasthielden, op dezelfde 16e februari als de voorafgaande groep, onthoofd.
Porfyrios, de 18-jarige dienaar van Pamfilos, vroeg toen om het lichaam van zijn beminde meester, terwijl deze op weg was naar het schavot. Om deze brutaliteit werd hij gegrepen, de kleren werden hem van het lijf gerukt, en hij werd kapotgeslagen en verbrand, zodat hij het eerste van allen de marteldood stierf.
Seleukos, een soldaat uit Kappadocië, die om zijn christen-zijn gedegradeerd, geslagen en uit het leger verjaagd was, had Pamfilos bijgestaan in zijn liefdadige werken. Hij had de dood van Porfyrios gezien en ging nu naar Pamfilos, die aan het bidden was bij het schavot, en vertelde hem van dat martelaarschap. Hij gaf Pamfilos de afscheidskus en werd toen mee onthoofd.
Theodoulos, een eerbiedwaardige grijsaard, was in het geheim christen. Toen hij de ter dood veroordeelden langs zag trekken, ging hij erheen en vroeg om voor hem tot Christus te bidden. Dit werd opgemerkt, de gerechtsdienaars grepen hem vast en hij werd ondervraagd of hij soms ook christen was. Toen hij dit beleed, werd hij gekruisigd.
Julianos, een christen, eveneens uit Cappadocië, was op weg naar Caesarea. Buiten de stadsmuur vond hij de weggeworpen lichamen die daar lagen om door de honden en gieren verscheurd te worden. Daar er zulke oude en jonge mensen bij waren, begreep hij dat het martelaren waren. Hij ging er heen en kuste vol liefde en eerbied hun lichamen. De lijken waren echter niet onbewaakt: er werd toezicht gehouden opdat de christenen niet hun lichamen zouden weghalen, zoals de gewoonte was, om ze te begraven. Hij werd dus gegrepen, en nadat hij moedig beleden had christen te zijn, werd hij tot de brandstapel veroordeeld.
Vier dagen lagen de lichamen der twaalf martelaren voor de muren, zonder dat de honden of gieren ze aanraakten. De bewakers werden het wachten moe, en zo kregen de christenen de gelegenheid om de heiligen eervol te begraven, in 308 (of 309).

De heilige Romanus, de nieuwe martelaar, was een simpele boer in het dorp Carpenesion. Hij was diep onder de indruk van de verhalen over de heldhaftigheid en de roem van de martelaren voor Christus, en hij wilde uit heel zijn hart daaraan deelhebben. Hij trok toen naar Thessalonika en begon in de straten te roepen dat Christus de waarachtige God is en dat Mohammed slechts een schrijver van verzinsels was.
Toen werd hij door de Turken gevangen genomen, heftig gefolterd en tenslotte naar de galeien verbannen. Christenen kochten hem vrij en stuurden hem naar de Athos, waar hij monnik werd bij de beroemde starets Akakios. Maar de honger naar het martelaarschap bleef hem in beslag nemen, zodat hij met zegen van zijn geestelijke vader naar Constantinopel ging.
Daar stelde hij zich aan als een dwaas. Hij had een hond bij zich, die hij op belachelijke wijze vol stopte met voedsel. Als de mensen hem vroegen waarom hij dat deed, antwoordde hij dat hij met zijn hond handelde zoals de christenen het deden met de Turken.
Hij werd natuurlijk weer gevangen genomen, en nu in een droge put geworpen, waar hij veertig dagen leefde zonder enig voedsel. Toen werd hij eruit gehaald en opgehangen, in 1694.

De heilige Tancon (Tatta), bisschop van Werden in Duitsland. Om zijn heilig leven en zijn wetenschap was hij tot abt gekozen van het Schotse klooster Amabaric, maar evenals zijn voorganger Patton voelde hij zich geroepen om het geloof te gaan prediken in Duitsland. Daar werd hij tot bisschop gekozen en hij deed zijn missiewerk toen met nog meer ijver. Daarbij ontzag hij zich niet om christenen, die hun positie misbruikten om anderen te benadelen, heftig aan te vallen. Hij werd toen door een groep daarvan aangevallen en met een lans doorstoken‚ in 815.

Ook nog op deze dag de heilige martelaar Cornelius, ter ruste gelegd in de Romeinse catacomben.

Eveneens op deze dag de heilige Tigridis, priester te Clermont, 388; Simeon, bisschop van Metz, 4e eeuw; Tetradus, bisschop van Bourges, 6e eeuw; en Faustinus, bisschop van Brescia.

Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.

teksten samengesteld door archimandriet Adriaan – eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna – eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.

Gegevens

Begin:
16 februari
Einde:
17 februari
Evenement Categorie: